Degene die een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die bouwstof:
a. niet met de bodem wordt vermengd;
b. kan worden verwijderd; en
c. wordt verwijderd in geval het werk of het deel van het werk waarvan de bouwstof deel
uitmaakt niet meer als functionele toepassing kan worden beschouwd, tenzij het verwijderen leidt
tot een grotere aantasting van de bodem of het oppervlaktewater dan het niet verwijderen.