Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:
a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en weg constructies, waaronder mede worden
begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen;
b. toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem, met uitzondering van de bodem
onder oppervlaktewater, in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en
landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid;
c. toepassing van grond of baggerspecie voor het afdekken van een locatie die wordt gesaneerd
als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 3 van de Wet bodembescherming, als afdeklaag voor een
stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid respectievelijk derde lid, van de Wet
milieubeheer, of als afdeklaag voor een voormalige stortplaats met het oog op het voorkomen van
nadelige gevolgen voor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft
als gevolg van contact met het onderliggende materiaal;
d. toepassing van grond of baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en
voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de
hoogwaterbescherming, de doelstellingen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, de
bevordering van de natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;
e. toepassing van grond of baggerspecie in aanvullingen, waaronder mede wordt verstaan de
herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op
onderhoud en herstel van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met d;
f. verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen,
met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen;
g. verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater, met het oog op de duurzame vervulling
van de ecologische en morfologische functies van het sediment, behoudens op of in uiterwaarden,
gorzen, slikken, stranden en platen, met uitzondering van de daarbinnen gelegen aangrenzende
percelen van watergangen met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen;
h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de toepassingen, bedoeld in
onderdeel a tot en met e gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van
de bodem onder oppervlaktewater, of gedurende maximaal tien jaar in oppervlaktewater;
i. tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen, bedoeld in onderdeel
a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de
baggerspecie afkomstig is.