1. Bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder f, g en i, overschrijdt
de kwaliteit van de baggerspecie de daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde
maximale waarden niet.
2. Voor toepassing van het eerste lid worden erven en gronden die door een weg, voetpad
of andere constructie of door een te smalle grondstrook om de baggerspecie te ontvangen van de
watergang gescheiden zijn, als aan de watergang grenzend perceel aangemerkt.