1. Voor het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder a tot en met
e, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, overschrijdt de kwaliteit
van de grond of baggerspecie niet:
a. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie; en
b. de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen.
2. Voor het op of in de bodem onder oppervlaktewater toepassen van grond of
baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a en c tot en met e, en het op of in de bodem
toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder h, overschrijdt de kwaliteit
van de grond of baggerspecie niet de waarden, bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, overschrijdt bij toepassing in
oppervlaktewater de kwaliteit van de grond niet de maximale waarden voor de
bodemfunctieklasse industrie.