Voor de medewerker voor wie een re-integratieperiode geldt als bedoeld in artikel 16, kan het college van Burgemeester en Wethouders in overleg met de betrokken medewerker onder andere de volgende mogelijkheden van flankerend beleid hanteren:
verlenen van ontheffing voor de verplichting tot terugbetaling van diverse regelingen;
het verlenen van buitengewoon verlof en het vergoeden van gemaakte reiskosten bij sollicitaties;
het hanteren van een opzegtermijn van uiterlijk één maand;
het verlenen van faciliteiten voor begeleidingstrajecten ter verkrijging van een andere functie, waaronder detachering en outplacement;
het verlenen van een bonus bij het vinden van een nieuwe baan;
het verlenen van tegemoetkomingen voor het volgen van bij- en omscholingscursussen;
overige maatregelen gericht op de betrokken medewerker waarvan in redelijkheid kan worden verwacht dat deze ondersteuning bieden bij het vinden van een dienstbetrekking elders, waarbij het individueel en organisatiebelang zorgvuldig op elkaar afgestemd worden.
Ten aanzien van deze maatregelen gelden de volgende algemene richtlijnen:
in overleg met de betrokken medewerker zal nagegaan worden welke maatregel of maatregelen in zijn situatie het meest geëigend zijn;
uitgangspunt bij het toepassen van bovengenoemde maatregelen is het vergroten van de kansen van de betrokken medewerker;
bij de toepassing van bovengenoemde maatregelen zal uitdrukkelijk ook het financieel belang van de gemeente worden betrokken.
Hoofdstuk
Artikel 18
Flankerend beleid bij ontslag
Onderdeel van Sociaal statuut organisatieveranderingen