In een aantal situaties zal geen sprake zijn van compensatieplicht, omdat in die situaties sprake is van
een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de compensatieplicht in het kader van de Wmo.
Hiergaat het enerzijds om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur, tweede woningen. Daarnaast gaat het ook om bijzondere woonsituaties zoals trekkerswoonwagens.
Tot slot betreft het situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw of de doelgroep waarvoor de woning/wooncomplex specifiek bedoeld is, verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn.
Een speciale positie nemen recreatie-/vakantiewoningen in. Recreatie-/vakantiewoningen zijn uitgesloten van aanpassing, omdat zij niet bestemd zijn voor permanente bewoning. Er zijn evenwel personen die permanent wonen in een recreatie-/vakantiewoning, hoewel dat op basis van het bestemmingsplan niet is toegestaan.
Aanvragen voor woonvoorzieningen worden afgewezen als de woning niet voldoet aan de eisen van een woning bestemd voor permanente bewoning.
17.3.a Hoofdverblijf
Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de belanghebbende zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente.
Twee hoofdverblijven
In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen.
Bezoekbaar maken woonruimte, niet zijnde hoofdverblijf
Zoals vermeld in artikel 8 uit de Verordening, kunnen woonvoorzieningen worden getroffen aan een woning niet zijnde het hoofdverblijf. Dit betreft dan het bezoekbaar maken van de woning.
Opgemerkt moet hier worden dat hetgeen hier geregeld is bovenwettelijk is: het zogenaamde bezoekbaar maken valt niet onder de compensatieplicht van de Wmo omdat het hier niet gaat om het in staat stellen aan iemand een huishouden te voeren. Het gaat hier om het in staat stellen van met name bewoners van een AWBZ-instelling bij bijvoorbeeld de ouders op bezoek te gaan. Omdat het gaat om een bovenwettelijke voorziening geldt geen resultaatsverplichting. De gemeente Capelle aan den IJssel heeft het bezoekbaar maken van de woning beperkt tot:
het kunnen bereiken van de woonruimte;
het kunnen bereiken van de woonkamer;
het kunnen bereiken en gebruiken van één toilet(voorziening).
Met het gebruiken van een toiletvoorziening is ook gebruik van een losse toiletstoel inbegrepen.
De eventueel noodzakelijke verstrekking van een tilvoorziening/transferhulpmiddel om de toiletvoorziening te kunnen gebruiken valt ook onder het begrip gebruik. Het bezoekbaar maken van de woonruimte is gemaximeerd tot een bedrag vastgesteld in het Besluit.
17.3.b Geen noodzaak op grond van ergonomische belemmeringen
De uitsluitende beperking m.b.t. geen noodzaak op grond van ergonomische belemmeringen, ziet vooral toe op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning, zie ook artikel 22 lid 3 van de Verordening. Voor alle woonvoorzieningen geldt als uitgangspunt dat deze alleen wordt verleend indien ze langdurig noodzakelijk zijn. Woonvoorzieningen die het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor betrokkene geschikte woning en waarvoor dus geen (medische) noodzaak bestaat, zullen niet leiden tot de verstrekking van een woonvoorziening.
Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Hierbij is aansluiting gezocht bij het door de gemeente gevoerde urgentiebeleid op medische gronden. De vraag is wat in dit verband onder "andere belangrijke reden" wordt verstaan.
Dat zal vaak afhankelijk zijn van de omstandigheden van het individuele geval, maar daaronder kan onder andere verstaan worden het noodgedwongen aannemen van een andere functie (bijvoorbeeld ten gevolge van werk, reorganisatie, afhankelijkheid van mantelzorg) op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is. In deze uitzonderingssituaties wordt verwacht dat de belanghebbende vooraf contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is.
17.3.c Verhuisd naar niet meest geschikte woning
Bij verhuizing moet gezocht worden naar de meest geschikte woning, gelet de omstandigheden van de belanghebbende, zie ook artikel 22 lid 3 van de Verordening. Van een belanghebbende mag verwacht worden dat hij/zij inspanningen verricht op het verkrijgen van een woning, die zoveel mogelijk is aangepast aan de (ergonomische) beperkingen en zich in verband hiermee tijdig en vooraf in verbinding stelt met de gemeente
17.3.d Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten
Het college kan een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget verlenen voor het treffen van voorzieningen in een gemeenschappelijke ruimte indien zonder deze woningaanpassing de woonruimte voor de aanvrager ontoegankelijk is. Het kan dan gaan om de volgende voorzieningen:
het verbreden van toegangsdeuren;
het aanbrengen van elektrische deuropeners;
het aanleggen van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel);
het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders en eventueel aanverwante aanpassingen zoals verhogen balustrade;
traplift bij een portiekwoning;
het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning;
het realiseren van een stalling voor een rolstoel of een scootmobiel bij de toegangsdeur van het woongebouw.
Er kan ook besloten worden een verhuis- en (her)inrichtingskostenvergoeding te verstrekken in plaats van de gemeenschappelijke ruimtes aan te passen, indien verhuizen een adequate en goedkopere oplossing biedt dan aanpassen van onder andere de gemeenschappelijke ruimtes.
17.3.e Stallingsruimte elektrische rolstoel/scootmobiel
Er kan een woonvoorziening worden verstrekt die betrekking heeft op het creëren van een oplaadpunt en/of stallingruimte voor een elektrische rolstoel of een open elektrische buitenwagen (scootmobiel). In principe wordt bekeken waar de elektrische rolstoel of scootmobiel op een adequate wijze gestald kan worden. Er dient rekening gehouden te worden met de voorschriften van de brandweer in gebouwen. De voorziening mag een eventuele vluchtroute niet blokkeren. Bij een berging wordt uitgegaan dat elke huisgenoot één fiets moet kunnen stallen. Alle andere voorwerpen in de berging zullen verwijderd moeten worden als blijkt dat de berging de meest adequate en goedkope ruimte is om de voorziening te stallen.
17.3.f Voorzienbaarheid vs onverwacht optredende noodzaak
De toets of sprake is van een verhuizing of voorziening waarvan te voorzien was dat deze noodzakelijk zou zijn, komt neer op beantwoording van de vraag of gezien de leeftijd, gezinssituatie en woonomgeving sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing en niet op beantwoording van de vraag of gezien de medische toestand van een persoon in dat geval de verhuizing voorzienbaar was.
Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbenden. Iemand die op grond van zijn/haar beperkingen als gevolg van ouderdom moet verhuizen, komt dus niet in aanmerking voor een vergoeding voor verhuis- of herinrichtingskosten of een woningaanpassing. Bijvoorbeeld: iemand woont al jaren in een eengezinswoning. Met het ouder worden zijn de problemen bij het traplopen in de loop der tijd, langzaam maar zeker toegenomen. Men had kunnen weten dat men wegens deze belemmeringen op een gegeven moment moet verhuizen of dat er ingrijpende woningaanpassingen moeten plaatsvinden om de ontstane belemmeringen op te heffen. Wachten tot het niet langer kan, gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Uiteraard vindt er zorgvuldig onderzoek en een gedegen afweging plaats, welke ten grondslag liggen aan het uiteindelijk te nemen besluit.
Ontstaat een woonprobleem omdat de oudere plotseling in medische zin iets overkomt of omdat bestaande klachten in een korte tijd verergeren, waardoor een acuut probleem ontstaat, kan wel een woonvoorziening (onroerend, roerend, verhuiskostenvergoeding) worden toegekend.
17.3.g Woonvoorzieningen in AWBZ-instellingen
Bewoners van AWBZ-instellingen konden op grond van artikel 2, lid 2 Wvg geen aanspraak maken op woonvoorzieningen. De Wmo kent echter geen bepaling die AWBZ-bewoners uitsluit van woon-voorzieningen. Bij de beantwoording van de vraag of woonvoorzieningen moeten worden getroffen indien de belanghebbende verblijft in een AWBZ-instelling, is het van belang of de voorziening tot de outillagemiddelen van de AWBZ-instelling moet worden gerekend. Behoort de gevraagde (woon)voorziening tot de outillagemiddelen (ADL-hulpmiddelen) van de AWBZ-instelling, dan wordt geen voorziening verstrekt in het kader van de Wmo, maar dient de belanghebbende zich te wenden tot de
AWBZ-instelling. Indien de voorziening niet behoort tot de outillagemiddelen, dan kan een beroep op de Wmo worden gedaan.
Bijvoorbeeld: in een instelling of tehuis met bewoners die bekend zijn met een lichte verstandelijke handicap maar die in het algemeen geen of weinig lichamelijke beperkingen kennen, behoort een tillift niet tot de outillagemiddelen. Verstrekking van een tillift op grond van de Wmo is dan mogelijk. Anders is dit bij instellingen of tehuizen waar zwaar lichamelijk gehandicapten verblijven. In dat geval mag van de instelling verwacht worden zelf over een tillift(en) of douchestoel(en) te beschikken waarvoor zij zelf een beroep kunnen doen op andere regelingen.
17.3.h Uitrustingsniveau sociale woningbouw
Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te houden. Een garage wordt niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel, indien er geen andere of alleen duurdere oplossingen mogelijk zijn.
17.3.i Aard van de gebruikte materialen
Vocht en tocht komen in iedere woning voor. Het opheffen van allergene factoren of andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in of aan de woonruimte gebruikte materialen, valt niet onder de werkingssfeer van de Wmo. Dit houdt niet in dat belemmeringen die voortvloeien uit bijvoorbeeld COPD niet op grond van de Wmo kunnen worden weggenomen, zie ook artikel 22 lid 2 sub h Verordening.
17.3.j Uitbreiding van woonruimte
Als het gaat om een resultaat dat uitsluitend via een uitbreiding van ruimten kan worden gerealiseerd, worden de volgende maximale aantallen vierkante meters aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Het gaat dan om het maximaal te realiseren aantal vierkante meters, bestaand en uitbreiding samen genomen. Het betreft dus niet uitsluitend de uitbreiding.
Soort vertrek
Bij aanbouw (m2)
Bij uitbreiding (m2)
woonkamer
30
6
keuken
10
4
eenpersoonsslaapkamer
10
4
tweepersoonsslaapkamer
18
4
toiletruimte
2
1
badkamer
-wastafelruimte
2
1
-doucheruimte
3
2
entree/hal/gang
5
2
berging
6
4
uitraasruimte
10
4
HOOFDSTUK 4
Artikel 17.3
Uitsluitingen en beperkingen
Onderdeel van Beleidsregel Wmo individuele voorzieningen gemeente Capelle aan den IJssel 2012