1.. De in artikel 13, eerste lid onder b genoemde individuele woonvoorzieningen kunnen bestaan uit:

a.. een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;

b.. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;

c.. een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening;

d.. een financiële tegemoetkoming voor onderhoud, keuring en reparatie van een in het kader van deze verordening verleende voorziening;

e.. een financiële tegemoetkoming in verband met huurderving;

f.. een financiële tegemoetkoming in verband met tijdelijke huisvesting;

g.. een financiële tegemoetkoming in verband met het verwijderen van een voorziening;

h.. een uitraasruimte.

2.. De voorzieningen genoemd in het eerste lid onder a, c en f worden verstrekt aan de persoon met beperkingen, zijnde de bewoner van de woonruimte.

3.. De voorzieningen genoemd in het eerste lid onder b, d, e, g en h worden verstrekt aan de eigenaar van de woonruimte.

4.. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden.