Intrekking of wijziging
In artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat het gezag dat
bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen, de vergunning geheel of
gedeeltelijk kan intrekken indien:
de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
opgave is verleend;
niet overeenkomstig de omgevingsvergunning is of wordt
gehandeld;
de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften of beperkingen
niet zijn of worden nageleefd;
de voor de houder van de omgevingsvergunning als zodanig geldende
algemene regels niet zijn of worden nageleefd.
Tevens is het mogelijk op grond van artikel 2.31, lid 1, sub c, van de Wabo
de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen dan wel op grond van
artikel 2.33, lid 1, sub e, van de Wabo de omgevingsvergunning in te
trekken, indien de vergunning van rechtswege is verleend en voor zover dit
nodig is om ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te
voorkomen of te beperken.
Op basis van de artikelen 2.31, lid 2, onder d en 2.33, lid 2, onder g, van
de Wabo, is daarnaast nog in deze verordening bepaald dat het bevoegd gezag
de omgevingsvergunning kan intrekken of wijzigen indien, op grond van een
verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen
van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt
gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de de
vergunning is vereist.
Als het bevoegd gezag overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken
of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen
hun zienswijzen naar voren te brengen (artikel 4:8 Awb).