Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Artikel 7

Onderdeel van Bomenverordening Lansingerland 2012

Intrekking of wijziging In artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat het gezag dat bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen, de vergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken indien: de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; niet overeenkomstig de omgevingsvergunning is of wordt gehandeld; de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd; de voor de houder van de omgevingsvergunning als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd. Tevens is het mogelijk op grond van artikel 2.31, lid 1, sub c, van de Wabo de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen dan wel op grond van artikel 2.33, lid 1, sub e, van de Wabo de omgevingsvergunning in te trekken, indien de vergunning van rechtswege is verleend en voor zover dit nodig is om ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen of te beperken. Op basis van de artikelen 2.31, lid 2, onder d en 2.33, lid 2, onder g, van de Wabo, is daarnaast nog in deze verordening bepaald dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning kan intrekken of wijzigen indien, op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de de vergunning is vereist. Als het bevoegd gezag overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen naar voren te brengen (artikel 4:8 Awb).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel