Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende verwijtbare gedragingen zoals die zijn omschreven in de artikelen 2:3, 2:4, 2:5 en 2:6 van deze verordening, worden de daarvoor geïndiceerde afstemmingen van het recht op bijstand elk afzonderlijk opgelegd. Vorenstaande voor zover er geen sprake is van een verwijtbare gedraging behorende tot de vijfde categorie. In dat geval wordt alleen de verwijtbare gedraging uit de vijfde categorie opgelegd.