Achtergrondwaarden (AW-2000)
Bij ministeriële regeling vastgestelde gehalten aan stoffen in de bodem voor een goede bodemkwaliteit waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
Bagger(specie)
Mengsel van minerale bestanddelen, organische stof en water dat vrijkomt bij het baggeren van de waterbodem.
Beheergebied
Aaneengesloten, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer waterkwaliteitsbeheerders
Bodemfunctie
Gebruik van de bodem. Voorbeelden hiervan zijn de functie Wonen, Industrie en Landbouw/natuur.
Bodemkwaliteitsklasse
In het besluit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheidende bodemkwaliteitsklassen:
- - landbouw/natuur;
- - wonen;
- - industrie.
Bodemkwaliteit
De bodemkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de gehalten aan verontreinigende stoffen in de bodem. Afhankelijk van de gehalten valt de kwaliteit van de bodem in een bepaalde klasse. De volgende indeling wordt gehanteerd:
| Gehalten | Bodemkwaliteitsklasse |
| < AW-2000 | Landbouw/natuur |
| > AW-2000 en < IW | Wonen |
| > IW | Industrie |
Bodemkwaliteitszone
Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachte kwaliteit van de bodem als veranderingen van de kwaliteit (variabiliteit) van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is in drie richtingen begrensd.
Bodemkwaliteitskaar
Kaart waarop de bodemkwaliteitszones zijn weergegeven.
Deelgebied
Deel van een beheergebied waarvoor geld dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door de voor het beheergebied geldende onderscheidende kenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is.
Erkende kwaliteitsverklaring
Een erkende kwaliteitsverklaring is een milieuhygiënische verklaring op basis van een gecertificeerde bouwstof. De verklaring bestaat uit twee onderdelen. Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificeringsinstelling. Dit productcertificaat heeft betrekking op de eigenschappen van de bouwstof voor wat betreft samenstelling en uitloging en geeft aan dat (en hoe) de bouwstof toepasbaar is. Het tweede deel is de erkenning door de ministers. De erkenning wordt per product afgegeven waarbij de verschillende producten afzonderlijk zijn genoemd. Een producent kan alleen voor een product worden erkend op basis van een geldige kwaliteitsverklaring.
Ernstig verontreinigde grond
Grond waarvan gehalten voor één of meerdere stoffen de interventiewaarden overschrijden.
Fabrikant-eigenverklaring
Een fabrikant-eigenverklaring is een milieuhygiënische verklaring die door de producent zelf wordt afgegeven zonder periodieke externe controles door een erkende certificerende instelling en zonde aparte erkenning door de ministers. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de producent. Een overzicht van fabrikant-eigenverklaringen wordt gepubliceerd op de site van Bodem+.
Grootschalige (bodem)toepassing
Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Voor (spoor)wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. In het besluit (artikel 63) zijn toepassingen genoemd die als grootschalige toepassing gedefinieerd mogen worden:
- - toepassingen van grond in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidwallen;
- - toepassingen van grond voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving;
- - toepassingen van grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;
- - toepassing van grond in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen van delfstoffen.
Grond
Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, evenals van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.
Interventiewaarde (IW)
Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde wordt gesproken over een sterke verontreiniging of sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, in werking getreden op 1 april 2009 (Staatscourant 2009, nummer 67).
Lokale maximale waarden
Bij het toepassen van grond is sprake van een “altijd”- en een “nooit”-grens. De “altijd”-grens is gebaseerd op de achtergrondwaarden (AW-2000). Partijen grond die voldoen aan de achtergrondwaarden zijn, voor wat betreft de chemische kwaliteit, altijd toepasbaar. De “nooit”-grens wordt bepaald met behulp van het Saneringscriterium. Deze is afhankelijk van de stof, het gehalte en het bodemgebruik in het gebied waar de grond wordt toegepast. Boven het Saneringscriterium treden onaanvaardbare risico’s op voor de mens en/of ecologie.
Tussen de “altijd”- en de “nooit”-grens liggen de Lokale Maximale Waarden. In het generieke kader van het besluit zijn voor de kwaliteit van de toe te passen grond generieke maximale waarden vastgesteld die horen bij de functie van de ontvangende bodem. Gemeenten en waterschappen hebben de mogelijkheid om voor hun beheergebied, of delen daarvan, voor het toepassen van grond per stof gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Aanleidingen voor gebiedsspecifiek beleid kunnen zijn:
- - de ambitie van een gemeente. De gemeente wil strenger beleid hanteren dan het generieke beleid;
- - de in de bodemkwaliteitskaart vastgelegde bodemkwaliteit veroorzaakt knelpunten bij grondverzet als wordt uitgegaan van het generieke beleid (gemiddelde kwaliteit ligt hoger dan een klassegrenswaarde).
Ontgravingskwaliteit
Landbouw/natuur, De gemiddelde gehalten van de toe te passen grond voldoen aan de achtergrondwaarden (AW-2000)
Wonen, De gemiddelde gehalten van de toe te passen grond voldoen aan de maximale waarden voor de bodemfunctie Wonen
Industrie, De gemiddelde gehalten van de toe te passen grond voldoen aan de maximale waarden voor de bodemfunctie Industrie
Niet toepasbaar, Eén of meer gemiddelde gehalten zijn boven de waarde van de bodemfunctie Industrie vastgesteld
Partij
Identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond van vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit die bedoeld is om als geheel te worden verhandeld of toegepast.
Partijkeuring
Schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die beschikt over een erkenning en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het besluit kan worden toegepast en hoe dit is vastgesteld. Partijkeuringen kunnen zowel in-situ als ex-situ worden uitgevoerd. Met een partijkeuring wordt de kwaliteit van de gehele partij vastgesteld.
Richtlijn bodemkwaliteitskaarten
De landelijke richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten [4] is voorgeschreven als een gemeente of waterschap een bodemkwaliteitskaart opstelt die wordt gebruikt voor hergebruik van grond onder het besluit [1]. Met deze richtlijn zijn tevens een aantal andere procedures geregeld, waaronder de te hanteren normwaarden, omgaan met uitbijters, vergelijkbaarheid, omgaan met “bijzondere omstandigheden”en het in een kaart weergeven van de bodemkwaliteit en mogelijkheden tot grond- en baggerverzet.
Saneringscriterium
Het saneringscriterium dient er toe om vast te stellen of de sanering van een geval van ernstige verontreiniging met spoed moet worden aangepakt. Wanneer sprake is van spoed is het nemen van maatregelen verplicht. Wanneer sanering niet met spoed hoeft plaats te vinden kan voor de aanpak van de verontreiniging worden aangesloten bij maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. Deze saneringen vinden plaats op initiatief van de eigenaar of andere belanghebbenden met het oog op gewenst gebruik van de bodem. Uiteindelijk moet het resultaat van de sanering zijn dat de locatie geschikt is voor het (toekomstig) gebruik.
Het saneringscriterium is een instrument voor het bevoegd gezag waarmee zij een (schuldig) eigenaar kan verplichten tot het saneren binnen een gestelde termijn. Als de verplichting niet aan een derde kan worden opgelegd moet de overheid zelf maatregelen nemen. Tegelijk maakt het criterium het mogelijk om de aanpak toe te kunnen spitsen op de risico’s van het verontreinigde gebied. Bij het vaststellen van het moment van volledige sanering wordt nadrukkelijk met economische en ruimtelijke overwegingen rekening gehouden.
Deze aanpak past in een beleid waarbij beheer van verontreinigde bodems voorop staat. Sanering (de meest vergaande vorm van beheer) wordt hierbij alleen opgelegd als sprake is van een ontoelaatbaar risico. Als de risico’s op een effectieve manier tijdelijk weg zijn te nemen ontstaat meer ruimte voor uitstel van de volledige sanering.
Voor de bepaling van de spoedeisendheid van sanering is de webapplicatie Sanscrit beschikbaar op www.sanscrit.nl.
Standstill-beginsel
Het standstill-beginsel betekent dat de bodemkwaliteit plaatselijk mag verslechteren, mits dit elders in hetzelfde gebied leidt tot een kwaliteitsverbetering.