1.Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de uitkering bedoeld
in artikel
18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand respectievelijk artikel 20 van
de Ioaw en
artikel 20 van de Ioaz vast op:
vijf procent van de norm bij gedragingen van de eerste
categorie;
tien procent van de norm bij gedragingen van de tweede
categorie;
twintig procent van de norm bij gedragingen van de derde
categorie;
honderd procent van de norm bij gedragingen van de vierde
categorie.
2. Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van
het eerste lid, het percentage
van de verlaging hoger of lager vaststellen, tot een minimum van vijf
procent en een
maximum van honderd procent, rekening houdend met de ernst van de gedraging,
de
mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
belanghebbende.