Naar hoofdinhoud

Artikel 4:

Periode van de verlaging

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ

1.Een verlaging van de uitkering bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet of de artikelen 20 Ioaw en 20 Ioaz vindt plaats: 1.voor de duur van een kalendermaand, wanneer sprake is van een eerste verwijtbare gedraging die niet meer hersteld kan worden; 2.voor de duur van drie kalendermaanden voor een gedraging die door belanghebbende kan worden hersteld; 3.voor de duur van drie kalendermaanden, wanneer sprake is van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging. 2.Burgemeester en wethouders kunnen bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de uitkering voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. 3.De verlaging wordt herbeoordeeld indien belanghebbende gedurende de periode van verlaging aantoont dat het verzuim is hersteld. Indien een gedraging is hersteld kan de verlaging worden gestopt met ingang van de eerste dag nadat belanghebbende heeft aangetoond zijn gedraging te hebben hersteld. De verlaging duurt tenminste een kalendermaand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel