1.Burgemeester en wethouders heroverwegen de in artikel 4, tweede lid,
bedoelde verlaging, of de verlaging die na een eerdere heroverweging voor
een
periode langer dan drie maanden of voor onbepaalde duur is voortgezet,
binnen een
termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot
verlaging of
voortzetting van de verlaging.
2.In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging beoordelen
burgemeester
en wethouders of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van
Belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot herziening, beëindiging
of
voortzetting van de verlaging.
3.Burgemeester en wethouders kunnen bij een besluit tot voortzetting van de
verlaging
het percentage van de verlaging verdubbelen, rekening houdend met de ernst
van de
gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van
de
belanghebbende.