De leidinggevende en de medewerker stellen bij aanvang van de afgesproken beoordelingsperiode in onderling overleg resultaatafspraken vast gericht op:
de bijdrage van de medewerker aan de organisatie-, afdelings- en/of teamdoelstellingen.
het verkrijgen of behouden van kennis, vaardigheden en gedrag om die bijdrage te kunnen leveren, vertrekkend vanuit de voor de medewerker vastgestelde functiebeschrijving.
(facultatief) het verkrijgen van kennis, vaardigheden en gedrag om door te kunnen stromen naar een andere functie in het kader van loopbaanontwikkeling (POP).
Het overleg kan mondeling of schriftelijk plaatsvinden. De afspraken kunnen voor meer dan één medewerker gelden.
De leidinggevende is er verantwoordelijk voor dat de resultaatafspraken bij aanvang van een beoordelingscyclus bekend zijn gemaakt aan de medewerker of groep van medewerkers.
De medewerker is verantwoordelijk voor het realiseren van de gemaakte afspraken.
De leidinggevende bewaakt de voortgang en is verantwoordelijk voor de coaching en het beschikbaar (laten) stellen van middelen en faciliteiten.
Leidinggevende en medewerker maken bij aanvang van de beoordelingsperiode afspraken over het 'tijdstip waarop de formele resultaatmeting plaats vindt.
De afspraken worden door of op initiatief van de leidinggevende vastgelegd, door beiden ondertekend voor akkoord en gearchiveerd in het (gedigitaliseerde) persoonsdossier.