1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een onroerende zaak aan
te wijzen als beeldbepalend pand. Een besluit tot aanwijzing als
beeldbepalend pand dient gebaseerd te zijn op een redengevende
beschrijving.
2. De in lid 1 bedoelde beschrijving richt zich op: a. de bouwmassa,
naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen; b. de dakvorm,
nokrichting en dakhelling; c. de gevelindeling door onder andere
vensters, deuren en erkers; d. de dakoverstekken, goot- en daklijsten;
e. de stoepen, plinten, pilasters, gevellijsten en ornamenten.
3. Het interieur wordt niet betrokken bij de beschrijving van
beeldbepalende panden.
Artikel 14b Overeenkomstige toepassing
1. Artikel 5, lid 4 en de artikelen 6 t/m 14 zijn van overeenkomstige
toepassing op beeldbepalende panden.
2. Specifieke bepalingen met betrekking tot beeldbepalende panden zijn
opgenomen in artikel 14c.
Artikel 14c Beslissing op de aanvraag
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 10 wordt geweigerd, indien door
de uitvoering van de aangevraagde werkzaamheden, dan wel door de te
verwachten directe of indirecte gevolgen, blijvend onevenredig afbreuk
wordt gedaan aan het uitwendige karakter van het bouwwerk en hieraan
door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden
gekomen.
2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen burgemeester en
wethouders de vergunning als bedoeld in artikel 10 verlenen, indien de
instandhouding van het pand in redelijkheid niet kan worden
gevergd.
3. Het interieur wordt niet betrokken bij de beoordeling van bouwplannen
voor beeldbepalende panden.
Hoofdstuk 6 De bescherming van gemeentelijke stads- en
dorpsgezichten
Artikel 15 Aanwijzing
1. De gemeenteraad kan een deel of delen van de gemeente aanwijzen als
beschermd stads- of dorpsgezicht.
2. Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
de gemeenteraad aan het college een verzoek tot advies in te dienen bij
de Monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit
advies achterwege blijven.
3. De aanwijzing kan geen gebied betreffen dat is aangewezen op grond
van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.
4. Burgemeester en wethouders registreren de beschermde gezichten op de
gemeentelijke lijst van beschermde stads- en dorpsgezichten.
5. De gemeentelijke lijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van
aanwijzing, de op een kaart aangegeven gebiedsbegrenzing en een
beschrijving van het gebied met de daarin begrepen cultuurhistorische
waarden.
6. Burgemeester en wethouders maken het besluit tot aanwijzing tot
beschermd stads- en dorpsgezicht binnen 4 weken na de datum van het
besluit bekend.
Artikel 16 Beschermend bestemmingsplan
1. Ter bescherming van een op de lijst geplaatst stads- of dorpsgezicht
stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
ruimtelijke ordening.
2. Bij het besluit tot aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht
bepaalt de gemeenteraad in hoeverre een geldend bestemmingsplan als
beschermend plan in de zin van het eerste lid kan worden
aangemerkt.
3. Voor zover in een gebied dat is aangewezen als een beschermd stads-
of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan als bedoeld in dit artikel van
kracht is, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op
te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder
schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders.
4. Op de behandeling van aanvragen om een vergunning zijn de artikelen
11, 12, 13 en 14 van deze verordening van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 17 Verbodsbepaling
1. Het is verboden bouwwerken die zijn gelegen in een beschermd
gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te vernielen.
2. In beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten is het verboden
een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking
van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders.
3. Op de behandeling van aanvragen om een vergunning zijn de artikelen
11, 12, 13 en 14 van overeenkomstige toepassing.
4. Geen vergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een
aanschrijving van burgemeester en wethouders;
5. De vergunning kan, ingeval van gehele of gedeeltelijke afbraak als
bedoeld in het tweede lid in ieder geval worden geweigerd wanneer de
totstandkoming van nieuwbouw binnen de karakteristiek van het beschermde
gebied onvoldoende is verzekerd.
Artikel 18 Afvoeren
Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten die overeenkomstig het bepaalde
in artikel 35 van de Monumentenwet 1988 worden aangewezen, worden
daardoor van de gemeentelijke lijst van beschermde stads- en
dorpsgezichten afgevoerd met ingang van de datum waarop het besluit tot
aanwijzing op de rijkslijst onherroepelijk is geworden.