De WWB geeft de gemeenteraad ook opdracht om verordeningen vast te stellen op een tweetal terreinen, die een relatie hebben met de reïntegratieverordening, namelijk: afstemming en cliëntenparticipatie. Ook is er een duidelijk verband met de algemene subsidieverordening.
Maatregelenverordening
De op grond van de WWB opgestelde Afstemmingsverordening (of beter is hier ‘Maatregelenverordening’) regelt het samenspel van de rechten en plichten van de cliënt. De reïntegratieverordening en de maatregelenverordening zijn nauw met elkaar verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties worden verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit sanctiebeleid wordt geregeld in de maatregelenverordening. De beide verordeningen dienen tegelijkertijd ter besluitvorming te worden aangenomen.
Verordening cliëntenparticipatie
De WWB geeft aan de gemeenteraad tevens de opdracht een verordening cliëntenparticipatie op te stellen. In de verordening cliëntenparticipatie dient onder andere te worden geregeld welke zaken er in ieder geval aan cliëntenparticipatie onderworpen zullen worden.
Algemene subsidieverordening
Evenals andere gemeenten heeft Overbetuwe ook een algemene subsidieverordening. Dit heeft als voordeel dat in andere verordeningen, zoals deze reïntegratieverordening, op grond waarvan subsidies worden verstrekt, voor algemene onderdelen als termijnen, informatieverplichtingen e.d. verwezen kan worden naar de algemene subsidieverordening.
Artikelsgewijze toelichting.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet werk en bijstand. Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB of Awb niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de verordening moet worden gewijzigd. De begrippen die niet zijn omschreven in de WWB of Awb, of die verduidelijkt moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven.De gemeente Overbetuwe legt via deze begripsbepalingen overigens ook eigen accenten.
Onder e tot en met g wordt omschreven wat de doelgroep is aan wie de gemeente ondersteuning moet bieden. Dit is geregeld in artikel 7, eerste lid, van de WWB. Voor Niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers geldt hierbij de aanvulling dat voor deze groep begeleiding naar werk plaatsvindt naar het aantal uren van inschrijving bij de CWI, met een minimum van 12 uur.
De definitie jongere wordt onder h vermeld. De gemeente Overbetuwe wenst specifieke voorzieningen voor deze doelgroep in te zetten. De gemeente Overbetuwe kiest bewust voor een snelle opvang van jongeren met of zonder startkwalificaties. Hoewel de sluitende aanpak voor jongeren in de WWB niet meer dwingend is voorgeschreven, gaat de gemeente Overbetuwe elke cliënt tot 23 jaar onmiddellijk na het inschrijven bij het CWI zo snel mogelijk passende voorzieningen aan te bieden. Jongeren zijn dus een topprioriteit
Aangezien in de gemeente Overbetuwe gewerkt wordt met trajectplannen is in sub j een definitie daarvan opgenomen.
Onder k wordt omschreven wie er verstaan moet worden onder een werknemer in gesubsidieerde arbeid. Dit is de belanghebbende die een dienstverband heeft met een werkgever die daarvoor subsidie ontvangt op grond van deze verordening.
Wat een voorziening is wordt omschreven onder m. Dit betreft een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling; een instrument binnen een reïntegratietraject dat ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid weg te nemen;
De WWB hanteert het begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Dit is een ruimer begrip dat het begrip passende arbeid dat in de Algemene bijstandswet werd gehanteerd. Onder p wordt bepaald wat in deze verordening onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt verstaan.
Het onder q genoemde beleidsplan is nader omschreven in artikel 3 van deze verordening;
Onder r is opgenomen dat met de CWI wordt bedoeld de organisatie genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Onder s is beschreven wat er moet worden verstaan onder nazorg.
Artikel 2 Opdracht college
De WWB geeft aan burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Hoewel cliënten aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de cliënt dat mogelijk het liefst zou zien. Het is aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor voldoende aanbod van voorzieningen, waarbij zij te maken hebben met beperkte financiële middelen. De vraag naar ondersteuning zal afhankelijk zijn van een veelheid aan sociaal-economische factoren.
In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel 7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het college specifieke opdrachten mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht om uitstroom uit bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren. In de WWB is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste lid van de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college te koppelen, kan de gemeente aangeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te willen zetten.
Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet houden met de combinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan, maar vooral in de uitvoering komt vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt.
Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient altijd een alternatief voorhanden te zijn.
Artikel 3 Beleidsplan
Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, vraagt WWB aan de gemeenteraad om het reïntegratiebeleid in een verordening vast te leggen. In Overbetuwe wordt gekozen voor de systematiek om niet alles in de verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en nadere regels.
Het eerste lid geeft aan dat de gemeenteraad jaarlijks een beleidsplan opstelt.
Het tweede lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. De WWB geeft aan dat het college elk jaar een voorlopig en een definitief verslag over de uitvoering (VODU) naar het rijk zendt. Deze verslagen dienen gepaard te gaan van een verklaring van de gemeenteraad. Daarom is ervoor gekozen expliciet op te nemen dat er een verantwoordingsverslag aan de raad moet worden gezonden. Het ligt voor de hand dat bij de vormgeving van het verslag op grond van deze verordening wordt aangesloten bij de inhoud van het VODU.
Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning
De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld. Uit het oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).
Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere voorzieningen. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of doorverwijzing naar andere instanties. Voorzieningen worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien worden de voorzieningen alleen ingezet als aan de hand van onderzoek is gebleken dat door de inzet van die voorziening het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid binnen afzienbare tijd mogelijk wordt. Reïntegratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en de werkaanvaarding bedoeld, maar ook de inspanningen die het kost omdat doel te bereiken. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij burgemeester en wethouders, die immers ook verantwoordelijk zijn voor de effectieve en doelmatige inzet van de middelen. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de cliënt. Voor het slagen van het traject is de motivatie van de cliënt belangrijk. Voordat tot het inzetten van het traject wordt besloten, wordt de inhoud hiervan met cliënt besproken, waarna het trajectplan door beide partijen ondertekend wordt.
In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin de criteria kunnen worden verwoord.
De in het derde lid genoemde voorliggende voorzieningen kunnen bijvoorbeeld zijn: de bemiddeling richting arbeidsmarkt door het Centrum voor Werk en Inkomen of reïntegratieactiviteiten die door het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen worden aangeboden.
De in het vierde lid opgenomen voorwaarde is opgenomen om de mogelijkheid te creëren om via nadere regels inkomensgrenzen te stellen. Wij denken hierbij b.v. aan regels in de trant van: diegenen die meer verdienen dan 2500 euro bruto per maand komen niet in aanmerking voor een voorziening.
Met ‘inkomen’ in het vierde lid wordt het gezinsinkomen bedoeld.
Artikel 5 Verplichtingen van de cliënt
In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd. Deelname aan reïntegratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden.
Voor diegene zonder uitkering moeten daarom in deze verordening voorwaarden aan het reïntegratietraject worden gekoppeld. Deze gelden dan vanzelfsprekend ook voor de bijstandsgerechtigde. Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Ook is denkbaar dat gemaakte kosten van belanghebbende worden teruggevorderd, als door verwijtbaar handelen een traject niet tot het gewenste resultaat leidt. Om die mogelijkheid open te houden is het wenselijk dat de belangrijkste voorwaarden voor het behalen van succes als verplichting zijn opgenomen. Natuurlijk heeft de cliënt ook rechten. Deze rechten zijn elders in wet- of regelgeving ondergebracht. Tegen beslissingen op grond van deze verordening staat bezwaar en beroep open op grond van de Awb. Het recht op inzage in gegevens en zonodig correctie daarvan is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).
Het derde lid biedt de verbinding met de maatregelenverordening. Deze verordening regelt het opleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering met een bepaald percentage.
Echter, voor personen zonder uitkering, ANW-ers en personen in gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in het vierde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan vorderen. De wijze waarop deze terugvordering plaats vindt is opgenomen in een afzonderlijk terugvorderingsartikel van de verordening (artikel 22)
Artikel 6 Criteria ontheffing arbeidsverplichting.
De in het eerste lid onder a opgenomen situatie dient aan te sluiten bij hetgeen in artikel 9 vierde lid van de WWB is opgenomen. Hierin is bepaald dat de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts geldt nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de cliënt. De belastbaarheid wordt in principe beoordeeld door de casemanager. Bij vergaand verschil van mening over de mate van belastbaarheid dient gekozen te worden voor een advies van een onafhankelijke externe deskundige. Onder passende kinderopvang wordt verstaan opvang die onder de Regeling Kinderopvang Alleenstaande Ouders valt en de overige door de gemeente Overbetuwe gesubsidieerde kinderopvang en buitenschoolse opvang. De toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van cliënt dient naar individuele omstandigheden te worden bepaald.
De onder b genoemde situatie wordt, met name bij medische redenen, bij voorkeur ondersteund door een extern onafhankelijk deskundig advies. Onder deze omschrijving valt overigens ook psychische problematiek.
In de Abw was het mogelijk de groep van 57½ jaar en ouder categoriaal te ontheffen van de arbeidsverplichting. In de WWB is dit niet meer mogelijk. De minister heeft in zijn decembercirculaire van 2003 naar aanleiding van discussie in de Eerste Kamer bepaald dat de consequentie is dat gemeenten onder de WWB ook het zittend bestand ouderen individueel zal moeten beoordelen op de kansen om uit te stromen naar een betaalde baan. Echter, omdat de arbeidsmarkt op dit moment weinig ruimte biedt voor nieuwe instroom en een gedeelte van de ouderen al voor langere tijd werkzoekend is, kan de gemeente volstaan met een éénmalige individuele beoordeling van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Als vastgesteld wordt dat er kansen aanwezig zijn ligt het voor de hand om deze kansen te benutten en de uitstroom te bevorderen. Wanneer tijdens deze eerste beoordeling geconcludeerd wordt dat de afstand tot de arbeidsmarkt nauwelijks meer valt te overbruggen heeft de gemeente de bevoegdheid om te volstaan met een ontheffing van de arbeidsverplichtingen voor de resterende periode dat de oudere bijstand ontvangt.Een deskundige afweging van de mogelijkheden van de cliënt van 57½ jaar en ouder op de arbeidsmarkt zou ondersteund kunnen worden door een verklaring van het Centrum voor Werk en Inkomen.
In de wet is bepaald dat een ontheffing in principe slechts tijdelijk wordt verleend. Het tweede lid van dit artikel sluit hierbij aan. In het derde lid is bepaald dat het college deze periode kan verlengen nadat een herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Dit is aan de orde als na afloop van de ontheffingsperiode de omstandigheden ongewijzigd zijn of er nieuwe zwaarwegende factoren voor een nieuwe ontheffing aanwezig zijn.
Artikel 7 Sluitende aanpak jongeren
De WIW kende een wettelijke sluitende aanpak voor jongeren (artikel 9). Daarnaast zijn in het kader van de Agenda voor de Toekomst afspraken gemaakt over een sluitende aanpak voor nieuwe instroom en voor het zittend bestand. De WWB kent geen bepaling over sluitende aanpak. De wetgever gaat ervan uit dat door de systematiek van de wet er in de praktijk de facto een sluitende aanpak ontstaat. Desondanks is de gemeente Overbetuwe van oordeel zijn dat een sluitende aanpak geregeld dient te worden. Artikel 7 regelt deze sluitende aanpak.
Het eerste lid geeft deze algemene formulering. De in het eerste lid genoemde voorzieningen behelzen de voorzieningen zoals beschreven in deze verordening. Met een sluitende aanpak binnen de periode van 6 maanden wordt aangesloten bij de algemene toelichting op de wet en het Plan van aanpak Jeugdwerkloosheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Het tweede lid geeft aan dat de sluitende aanpak niet van toepassing is op diegenen die een ontheffing van de arbeidsverplichting hebben gekregen. Deze volledige ontheffing van de arbeidsverplichting slaat terug op artikel 6 van deze verordening.
Het derde lid geeft de mogelijkheid om van de algemene sluitende aanpak in specifieke, individuele gevallen af te wijken. Van de Sluitende aanpak voor jongeren kan slechts worden afgeweken in uitzonderlijke gevallen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een baangarantie of ander bron van inkomsten op zeer korte termijn.
Artikel 8 Subsidie- en budgetplafonds
De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan gebeuren (zie het artikel over beleidsplan). Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.
De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus is dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken.
Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd.
Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. (eerste lid) Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).
In het tweede lid wordt de mogelijkheid open gehouden om ook een plafond in te stellen voor het maximaal aantal personen dat in aanmerking komt voor een voorziening.
Artikel 9 Algemene bepalingen over voorzieningen
In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen.
Het eerste lid geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van voorzieningen bevat.
In het tweede lid is bepaald dat alle afspraken rondom de arbeidsinschakeling vastgelegd dienen te worden in een trajectplan. Daarmee dus ook alle aangeboden voorzieningen.
Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt.
Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.
Het vijfde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te laten.
Artikel 10 Workfirst
In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden een ‘Work-first’-project op te starten. Het doel van Workfirst is om personen van een bepaalde doelgroep, bij wijze van spreken, 24 of 48 uur na bijstandsaanvraag voor een bepaalde periode en voor een bepaald aantal uur werk of andere activiteiten aan te bieden. Ondertussen blijft de persoon op zoek naar regulier werk. Op dit moment zijn wij de invulling van het Workfirst concept voor de gemeente Overbetuwe aan het uitwerken.
Artikel 11 Werkstages
Werkstages zijn een betrekkelijk nieuw instrument voor gemeenten om langdurig werklozen te reïntegreren. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal. De werkstage heeft als belangrijkste doel het opdoen van vaardigheden in een vakgebied, waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk wordt gemaakt. De werkstage is bedoeld voor leden van de doelgroep die op korte of middellange termijn perspectief op betaald werk hebben.
Het eerste lid van artikel 9 artikel geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van een werkstage. Er is bewust voor gekozen om deze voorziening in te zetten voor zowel uitkeringsgerechtigden als alle jongeren die zich melden bij de gemeente voor hulp bij arbeidsinschakeling.
Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage en geeft het verschil met een normale arbeidsverhouding weer. Dit is met name van belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.
De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de cliënt wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s
Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan.
Het vierde lid stelt dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan dit doen door expliciet na te gaan dat het werk dat verricht gaat worden niet productief is, of dat er geen recent ontslag heeft plaatsgevonden.
In het vijfde lid wordt bepaald dat er voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst (stageovereenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.
Artikel 12 Sociale activering
Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. In de uitwerkingsnotitie is wordt door de gemeente Overbetuwe duidelijk gekozen voor sociale activering als opstap naar werk. Sociale activering wordt primair ingezet als eerste stap richting arbeidsmarkt vanuit het oogpunt dat iedereen nog mogelijkheden heeft. Op voorhand wordt niemand afgeschreven voor een plaats op de arbeidsmarkt. Voor sommige personen is de afstand tot de arbeidsmarkt echter zo groot dat als eerste stap het instrument sociale activering wordt ingezet, van belang is dan dat sociaal isolement in eerste instantie wordt doorbroken. Er is echter nooit een garantie dat een persoon waarmee een sociaal activeringstraject is gestart ook daadwerkelijk zal doorstromen naar werk of een reïntegratietraject.
In het eerste lid de definitie te vinden die de gemeente Overbetuwe hanteert als het gaat om sociale activering. In het tweede lid is opgenomen dat alle afspraken omtrent deze voorziening in ieder geval worden vastgelegd in een trajectplan. In het derde lid is aangegeven in welke gevallen sociale activering wordt ingezet.
Artikel 13 Detacheringsbanen uitgevoerd door een reïntegratiebedrijf
De WWB houdt de mogelijkheid op om à la de WIW personen een dienstverband aan te bieden, om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In dit artikel 13 worden de randvoorwaarden vastgelegd worden waarbinnen de banen vormgegeven worden. Overbetuwe kiest er bewust alleen de hoofdlijnen aan te geven. Op deze manier krijgt het instrument zijn maximale flexibiliteit.
Bij dienstbetrekkingen uit de WIW was de gemeente de wettelijke formele werkgever. De WWB geeft echter geen regels over werkgeversschap. Het in dienst nemen door de gemeente zelf wordt bemoeilijkt doordat dan sprake zal zijn van een aanstelling als ambtenaar, waarbij de gemeentelijke rechtspositie van toepassing is. De gemeente Overbetuwe kiest daar niet voor omdat de rechtspositie van gemeenteambtenaren niet is toegesneden op de specifieke doelgroep van langdurig werklozen.
Het instrument detacheringsbaan kan ook in zijn geheel, inclusief het formeel werkgeversschap, uitbesteed worden aan een reïntegratiebedrijf. De gemeente Overbetuwe kiest voor deze laatste optie.
Daar waar het gaat om de rechtspositie van de werknemer, dienen afspraken gemaakt te worden met het reïntegratiebedrijf. Te denken valt aan afspraken over dat er verplicht een bepaalde rechtspositie van toepassing is, of eisen die worden gesteld aan bepaalde elementen uit die rechtspositie zoals de beloning.
Het eerste lid biedt de mogelijkheid om een reïntegratiebedrijf de opdracht te geven aan een uitkeringsgerechtigde of een jongere een dienstverband aan te bieden.
In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever, dat is in dit geval het reïntegratiebedrijf. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof, de inhoud van het werk, etc.
In het derde lid staat aangegeven dat de inleenvergoeding die de inlenende organisatie betaalt, bepaald wordt op basis van de arbeidsproductiviteit en de aard van de werkzaamheden.
Voor het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over werkstages, namelijk artikel 11 vierde lid.
Het vijfde lid geeft aan dat daar waar het gaat om de rechtspositie van de werknemer, dient de gemeente daarover afspraken te maken met het reïntegratiebedrijf. Zo kan de gemeente bepalen dat verplicht een bepaalde rechtspositie van toepassing is, of kan zij eisen stellen aan bepaalde elementen uit die rechtspositie, zoals de beloning.
Artikel 14 Loonkostensubsidies gericht op reïntegratie
Het instrument loonkostensubsidies gericht op reïntegratie is bekend van de werkervaringsplaatsen uit de WIW, echter, onder de WWB zijn deze geheel vormvrij geworden. Het specifieke beleid van de gemeente komt tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie (eventueel gekoppeld aan de mate van productiviteit), de termijn en de aan de subsidie verbonden verplichtingen (b.v. bieden van scholing en begeleiding). De uitwerking van deze loonkostensubsidies in de gemeente Overbetuwe moet nog plaats vinden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de EG-regelgeving rond staatssteun. Zie hiervoor het algemene deel van de toelichting en de Bijlage ‘Subsidiering arbeidsplaatsen in het kader van reïntegratie van werkzoekenden’
Naast de reguliere loonkostensubsidie kiest de gemeente Overbetuwe ervoor de werkgever die de werknemer aansluitend in vaste dienst neemt een aanvullende subsidie of bonus toe te kennen. Zie hiervoor artikel 17 ‘ Premie voor de werkgever’ en de toelichting daarbij.
Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij expliciet wordt aangeven dat het primair gaat om een reïntegratievoorziening. Tevens is hier bepaald dat alleen de doelgroep uitkeringsgerechtigden voor deze loonkostensubsidie in aanmerking komt. Dit is bepaald om deze vorm van uitstroom beschikbaar te stellen voor de groep waarvoor de gemeente ook financieel verantwoordelijk is. Overigens kan de loonkostensubsidie ook aan reïntegratiebedrijven worden verstrekt die via artikel 13 een uitkeringsgerechtigde in dienst hebben en hem of haar vervolgens hebben gedetacheerd bij een onderneming.
Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid nadere regels te stellen over de hoogte van de subsidie, de termijn, en de praktische uitvoering (aanvraag, informatieverplichtingen, terugvordering, etc.).
Voor het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel 11 het vierde lid over werkstages.
Artikel 15 Scholing
In het kader van de trajecten richting arbeidsmarkt kan scholing noodzakelijk zijn. Daar het aanbod van scholing bijzonder divers is en daarbij ook de duur en kosten erg variabel zijn, is het noodzakelijk om voor het aanbod hiervan nadere randvoorwaarden vast te stellen.
In het eerste lid is te vinden dat enige vorm van scholing aangeboden kan worden aan de doelgroepen uitkeringsgerechtigden en jongeren.
Het tweede lid geeft aan dat de scholing zowel aangeboden kan worden als voorziening die door de gemeente ingekocht wordt als in de vorm van een subsidie. Dit laatste kan van belang zijn indien de cliënt op eigen initiatief met een voorstel tot scholing komt die door het college noodzakelijk wordt geacht, doch niet bestaat binnen het reguliere aanbod.
Het derde lid maakt het mogelijk om door het formuleren van een evenwichtige beoordeling een minder willekeurig scholingsbeleid te voeren en geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de noodzakelijkheid, de duur en de maximaal te vergoeden kosten van scholing.
Artikel 16 Premie voor de werknemer
Dit artikel maakt het mogelijk om doormiddel van een algemene richtlijn die door het college is vastgesteld premies te geven aan bijvoorbeeld mensen die bijstand ontvangen en die arbeid in loondienst aanvaarden dat leidt tot volledige arbeidsinschakeling. Jaarlijks kan een activeringspremie van maximaal € 1984 kan worden verstrekt. (artikel 31 lid 2 sub j) Deze premie is onbelast, en telt dus ook niet mee bij de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. Dit is alleen het geval als in datzelfde jaar geen onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk is verstrekt
Ook is het mogelijk om vrijwilligerswerk in beperkte mate te belonen. De WWB regelt in art. 31 lid 2 sub k de maximale onkostenvergoedingen bij het verrichten van vrijwilligerswerk (€ 21 per week, met een maximum van € 735 per jaar). Ook deze zijn onbelast en werken niet door bij de inkomensafhankelijke regelingen.
In deze verordening is ervoor gekozen het verstrekken van premies in algemene zin te regelen. De criteria, de hoogte en frequentie zullen nader worden uitgewerkt in de nadere regels. (derde lid). Wel is reeds bepaald dat alleen activeringspremies worden toegekend aan uitkeringsgerechtigden en als algemeen geaccepteerde arbeid wordt aanvaard, niet zijnde gesubsidieerde arbeid (lid 2, sub–a) of deelgenomen wordt aan sociale activering (lid 2, sub b).
Artikel 17 Premie voor de werkgever bij doorstroming naar regulier werk.
Werkgevers die iemand in dienst hebben met een loonkostensubsidie, op grond van deze verordening, krijgen een premie als die werknemer tijdens dat dienstverband een reguliere baan krijgt aangeboden. Dat geldt alleen voor die werknemers die voorafgaand aan dat gesubsidieerde dienstverband een uitkering ontvingen. De uitstroom naar reguliere arbeid moet wel duurzaam zijn. Duurzaam wil zeggen dat het moet gaan om een dienstverband van minimaal 6 maanden. De nadere voorwaarden die verbonden worden aan de toekenning van de subsidie zullen worden vastgelegd in nadere regels.
In het eerste lid is geregeld dat het college een premie kan geven aan de werkgever die een werknemer een regulier duurzaam dienstverband aanbiedt, nadat deze werknemer bij diezelfde werkgever voorafgaand nog in een gesubsidieerd dienstverband heeft gewerkt. Dit kan zowel alleen een loonkostensubsidie dan wel een detacheringsbaan met loonkostensubsidie zijn geweest. Er wordt geen premie verstrekt als het regulier dienstverband aansluitend ingaat na de periode waarin de werknemer bijstand ontving
Op grond van het tweede lid stelt het college nadere regels over de hoogte van de premie en de voorwaarden die eraan zijn verbonden.
Artikel 18 Overige vergoedingen
De gemeente Overbetuwe kan, ter stimulering van de arbeidsinschakeling, een vergoeding verstrekken voor diverse noodzakelijke kosten voor activiteiten die daaraan bijdragen. In dit artikel zijn als voorbeelden genoemd reiskosten woonwerk verkeer, verhuiskosten en kosten voor kinderopvang. Dit is geen limitatieve opsomming. (eerste lid)
De gemeente Overbetuwe verstrekt dergelijke vergoedingen alleen als er geen beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening (b.v de werkgever betaalt al de reiskosten of de verhuiskosten). Dit is te vinden in het tweede lid.
Artikel 19 Voorzieningen gericht op nazorg
Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat cliënten na uitstroom niet na een korte periode weer terugvallen in de uitkering. De gemeente Overbetuwe heeft er al eerder toe besloten veel aandacht te besteden aan nazorg bij uitstroom. Dit met als doel om werkelijk duurzame plaatsingen te realiseren. In de contracten die zijn afgesloten met reintegratiebedrijven is opgenomen dat werkgevers kunnen rekeningen op een nazorg van een reïntegratiebedrijf voor een periode van een half jaar. Analoog daaraan kan het college deze nazorg ook verstrekken aan werkgevers die een cliënt regulier in dienst hebben genomen, met behulp van een loonkostensubsidie en premie.
Bij nazorg moet men bijvoorbeeld denken aan allerlei vormen van jobcoaching, begeleiding op de werkplek en advisering.
Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid maakt begeleiding en advisering normaalgesproken al onderdeel uit van het traject.
In eerste lid van dit artikel is aangegeven dat dergelijke voorzieningen gericht op nazorg verstrekt kunnen worden.
Artikel 20 Overige voorzieningen (experiment)
In de verordening legt de gemeente Overbetuwe haar beleid voor een langere periode vast. D.w.z. dat de keuzes tussen de verschillende voorzieningen hierbij wordt vastgesteld. Gaandeweg kan hernieuwd inzicht er toeleiden dat de gemeente misschien toch wil gaan werken met een bepaalde voorziening, waarvoor geen grondslag is te vinden in deze verordening. Dit artikel maakt het mogelijk om een dergelijk nieuw idee, op experimenteerbasis te gaan uitproberen.
Artikel 21 Inkomstenvrijlating
Met het amendement Bruls is het mogelijk gemaakt de inkomsten van uitkeringsgerechtigden die werken in deeltijd voor een deel vrij te laten. De vrijlating bedraagt maximaal 25% van de inkomsten per maand, met een maximum van € 166. Het maximale percentage en het maximale bedrag impliceren, dat ook uitgegaan mag worden van lagere bedragen. De gemeente Overbetuwe kiest daar niet voor. Evenals andere gemeenten kiezen wij i.v.m. de inzichtelijkheid ervoor om toch een artikel in de verordening op te nemen over de inkomstenvrijlating.
In het eerst lid van artikel 21 is aangegeven dat gemeenten o.g.v. artikel 31 lid 2 onder o van de WWB de mogelijkheid krijgen om in individuele gevallen te bepalen dat een deel van de inkomsten uit arbeid gedurende maximaal en half jaar niet worden verrekend met de bijstand. Doel hiervan is om mensen met een uitkering te stimuleren een gehele of een gedeeltelijke baan te accepteren. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan.
Er moet sprake zijn van inkomsten uit arbeid en een aanvullende uitkering;
De vrijlating kan in totaal nooit langer dan zes maanden duren. Aangenomen lijkt te moeten worden dat als de belanghebbende in januari werkt en de eerste keer een vrijlating krijgt, het recht op vrijlating dan eindigt na de maand juni, ook al heeft hij bijvoorbeeld in de maand maart geen inkomsten uit arbeid gehad;
De vrijlating wordt alleen toegekend als ze naar het oordeel van de gemeente bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende. (tweede lid van artikel 21)
Artikel 22 Terugvordering.
In dit artikel is de wijze waarop de terugvordering plaats vindt, geregeld. In het eerste lid is aangegeven dat het college terug kan vorderen, als de voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verstrekt, eventueel extra de wettelijke rente. In het tweede lid is aangeven dat terugvordering ook plaats kan vinden als de cliënt onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn reïntegratie of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de voorziening. In het derde lid is te vinden wat wordt bedoeld met kosten van de voorzieningen.
Artikel 23 Hardheidsclausule
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 24 Citeertitel
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 22 Inwerkingtreding
In het kader van de gefaseerde invoering van de WWB hebben gemeenten tot 1 januari 2005 de tijd om de verordening vast te stellen. De aanspraak van artikel 10 WWB kan pas ‘te gelde’ worden gemaakt als de verordening is ingegaan.
Van belang is hierbij ook de Tijdelijke referendumwet. Er moet van worden uitgegaan dat de Reïntegratieverordening een op grond van artikel 8 eerste lid onder a TRW (Tijdelijke referendumwet) referendabel besluit is. Op grond van artikel 22 lid 2 TRW kan de inwerkingtreding van de Reïntegratieverordening niet worden vastgesteld op een datum eerder dan zes weken na bekendmaking. Uitgaande van een eerst mogelijke vaststelling van de verordening door de Gemeenteraad op 2 november 2004, kan deze op zijn vroegst in werking treden op 1 januari 2005.
Tenslotte is in het Invoeringsbesluit WWB bepaald dat de reïntegratieverordening en de maatregelenverordening op hetzelfde tijdstip in dienen te gaan.
Hoofdstuk 5
Artikel 6.
Relatie met andere verordeningen:
Onderdeel van Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand Overbetuwe 2005