Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Indien een belanghebbende, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 10, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dit is het bedrag aan bijstand dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging onnodig eerder of langer nodig heeft.
Onverminderd artikel 3, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
bij een benadelingsbedrag tot €1000,--: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van €1000,-- tot €2000,--: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van €2000,-- tot €4000,--: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een benadelingsbedrag van €4000,-- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.
De duur van de maatregel, als bedoeld in het tweede lid, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. Artikel 11, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.