Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 10

Gasinstallatie

Onderdeel van Beleidsregel voor het gebruik van tijdelijke inrichtingen

1. De ruimte waarin de gasflessen staan moet voldoende geventileerd zijn. 2. Een flessengasinstallatie moet voldoen aan de eisen in NEN 3324 en NEN 2920. 3. Een kooktoestel, dat gebruik maakt van niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas, moet voldoen aan de eisen in NEN 1078:1999. 4. Bij inpandig gebruik van gasflessen mag de nominale inhoud van de gevulde en lege flessen gezamenlijk niet meer bedragen dan 115 liter, tenzij bij of krachtens enig wettelijk voorschrift anders is bepaald. 5. De eventuele opstelling tussen gasflessenopslag en/of overige voor verwarming bestemde brandstoffen in de tijdelijke inrichting, moet minimaal 5 meter bedragen. De opslagplaats van de gasflessen moet afgesloten zijn d.m.v. een deugdelijk hekwerk met een hoogte van 2 meter en voorzien van het opschrift “VERBODEN TE ROKEN” in ten minste 8 cm hoge letters. Drukhouders dienen goed geventileerd te zijn in de buitenlucht en beschermd tegen opwarming door zonnestraling. 6. LPG mag niet worden toegepast, mits is voldaan aan de normen. 7. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. 8. Afsluiters moeten tegen beschadigingen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn opgeschroefd. 9. Het verbruikstoestel mag alleen op de standplaats in werking zijn. Tijdens het transport van de bakwagen moeten de afsluiters van gasflessen en/of gastank te allen tijde gesloten zijn; 10. Een gasfles moet zijn voorzien van een door Lloyd’s Register – Stoomwezen erkend geldig keurmerk en mag slechts 10 jaar oud zijn. 11. De afsluit/reduceerventiel van een gasfles moet van een door Lloyd’s Register - Stoomwezen goedgekeurd type zijn en mag slechts 5 jaar oud zijn.Tussen gasfles en verbruikstoestel moet een buigzame verbinding: voldoen aan de richtlijnen, vermeld in de NPR 3378; zijn bevestigd door middel van slangklemmen op slangpilaren en aangepaste koppeling; vrij en ongespannen zijn aangelegd; zodanig zijn aangebracht dat blootstelling aan ontoelaatbare temperatuursinvloeden en/of mechanische beschadiging wordt voorkomen. 12. De gasslang mag indien het een oranje gasslang betreft maximaal 3 jaar oud zijn en een zwarte gasslang maximaal 2 jaar. 13. De gasslang moet zo kort mogelijk zijn gehouden. De maximale slanglengte voor een tijdelijke opstelling mag 1,5 meter bedragen; 14. Het leidingnet en het toebehoren moeten iedere 2 jaar en zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld bij wijzigingen en reparaties) worden gekeurd en beproefd. Van de beproeving moet een door of vanwege de installateur getekende, verklaring bij de gebruikers aanwezig zijn, welke mede door de vergunninghouder is ondertekend. 15. Het leidingsysteem en het toebehoren moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

Rechtspraak bij dit artikel