a. Wanneer het perceel ten behoeve van de realisering van bebouwing in erfpacht wordt uitgegeven bepalen burgemeester en wethouders in de Bijzondere Bepalingen wanneer met de bebouwing een aanvang moet worden gemaakt. De erfpachter dient deze bebouwing te realiseren overeenkomstig de door burgemeester en wethouders in alle opzichten goedgekeurde bouwplannen.
b. Binnen twee jaar na de datum van het verlijden van de notariële akte moet de op het perceel op te richten bebouwing voltooid en gebruiksklaar zijn; indien daartoe aanleiding bestaat kan deze termijn door burgemeester en wethouders worden verlengd.
c. Indien na verloop van de onder b. genoemde termijn de bebouwing nog niet is aangevangen is de erfpachter aan de gemeente een boete verschuldigd en heeft de gemeente het recht de ontbinding van de erfpachtovereenkomst c.q. teruglevering van het erfpachtrecht op het perceel te vorderen. De kosten van teruglevering (terugoverdracht) zijn in dat geval voor rekening van de erfpachter, zodat de gemeente vrij op naam krijgt teruggeleverd.
d. Zolang de erfpachter niet heeft voldaan aan de in lid b. vermelde verplichting mag hij zijn recht op het perceel onder overeenkomstige van toepassing verklaring van het bepaalde in artikel 17, lid a. niet zonder schriftelijke toestemming van burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk overdragen of een ondererfpacht of een beperkt recht (verwijderd: huur, pacht o.i.d.) vestigen of een overeenkomst sluiten met een derde waardoor anderen het recht van (mede)gebruik op het perceel verkrijgen.
Aan deze toestemming kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden.
Voor vestiging van het recht van hypotheek is geen toestemming nodig.
e. Het bepaalde in lid d. is niet van toepassing in geval van executoriale verkoop door een hypotheekhouder ex artikel 268 boek 3 Burgerlijk Wetboek of door een andere schuldeiser en in geval van verkoop van het erfpachtrecht op grond van artikel 174 boek 3 Burgerlijk Wetboek.
f. De in lid d. bedoelde toestemming wordt geacht te zijn verleend als de overdracht geschiedt ter uitvoering van een tussen de in de aanhef van de erfpachtovereenkomst genoemde erfpachter en diens wederpartij(en) gesloten uitgifte aannemingsovereenkomst, waarbij deze erfpachter zich tegenover die wederpartij verplicht over te gaan tot de bouw van de in de Bijzondere Voorwaarden bedoelde opstal(len).
g. Het in lid f. gestelde geldt uitsluitend voor de in de aanhef van de erfpachtovereenkomst ge¬noemde erfpachter (derhalve niet voor de wederpartij als bedoeld in lid f.).
h. Indien na verloop van de in lid b. genoemde termijn de bebouwing wel is aangevangen maar nog geen 50 % van de geschatte bouwtijd is verlopen, is de erfpachter aan de gemeente een boete verschuldigd. Indien na verloop van de in lid b. genoemde termijn de bebouwing is aangevangen, maar meer dan 50 % van de bebouwing gereed is, verlenen burgemeester en wethouders uitstel van de bouwplicht voor de periode van de geschatte bouwtijd van het restant van de bebouwing. Indien na verloop van die verlenging nog steeds een wezenlijk deel van de bebouwing moet geschieden is de erfpachter aan de gemeente een boete verschuldigd. De gemeente behoudt onverminderd het recht om de volledige nakoming van de bouwplicht te vorderen.
i. In de Bijzondere Bepalingen wordt het bedrag van de boete als bedoeld in lid c. en h. nader bepaald.
Hoofdstuk
Artikel 25
Bebouwing
Onderdeel van Algemene Bepalingen voor uitgifte van onroerende zaken in erfpacht 2006