Het college kan aan bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden, met uitzondering van belanghebbenden jonger dan 27 jaar, een vrijlating of premie toekennen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de WWB.
Een inkomensvrijlating wordt toegepast indien de uitkeringsgerechtigde reguliere arbeid verricht of gaat verrichten waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm.
In de volgende gevallen wordt een premie verstrekt:
bij het aanvaarden en behouden van reguliere arbeid waardoor het inkomen meer bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde geldende bijstandsnorm;
bij het deelnemen aan een sociaal activeringstraject als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b. van deze verordening;
bij het deelnemen aan een detacheringtraject als bedoeld in artikel 6, tweede lid onder c van deze verordening;
bij beëindiging van de uitkering in verband met de start van zelfstandige werkzaamheden en er geen beroep is gedaan op een voorziening in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen.
Het college stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels over de voorwaarden, hoogte van de premie, en de nadere verplichtingen.
Artikel 10.
Inkomensvrijlating en premies aan uitkeringsgerechtigden
Onderdeel van Verordening Reïntegratie 2008