De te verlenen korting op het normale tarief van het collectief vervoer als bedoeld in artikel 6.11 lid 1 sub a van de Verordening bedraagt:
Voor personen tot 65 jaar: € 1,65 voor zone 1 tot en met 4 en € 3,95 voor zone 5;
Voor personen van 65 jaar en ouder: € 1,85 voor zone 1 tot en met 4 en € 4,15 voor zone 5.
De te verlenen financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 6.11 lid 1 sub b van de Verordening bedraagt voor de persoon van 12 jaar of ouder per kalenderjaar respectievelijk:
voor de kosten van het gebruik van een auto of vervoer door derden en indien de persoon niet de beschikking heeft over een vervoersvoorziening in natura: € 540,-- en – op declaratiebasis - € 540,--.
Indien de persoon vanwege geringe mobiliteit slechts in staat is minder dan 200 meter te lopen en om die reden voor de korte afstanden op het gebruik van eigen auto of vervoer door derden is aangewezen dan wordt het bedrag verhoogd met € 135,--.
voor de kosten van het gebruik van een auto of vervoer door derden en indien de persoon wel de beschikking heeft over een vervoersvoorziening in natura: € 405,-- en - op declaratiebasis – € 405,--;
voor de kosten van het gebruik van een taxi, indien vanwege de handicap alleen vervoer met een reguliere taxi compenserend is: € 2.760,--;
voor de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi, indien vanwege de handicap alleen vervoer met een reguliere rolstoeltaxi compenserend is: € 2.760,--.
voor de kosten van het gebruik van een bruikleenauto of in bruikleen verstrekte gesloten buitenwagen: € 200,-- en – op declaratiebasis – € 200,--;
In afwijking van het tweede lid bedraagt de financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 6.11 lid 1 sub b van de Verordening voor:
de persoon aan wie tevens een vervoersvoorziening in natura is verleend: 75% van de in lid 2 genoemde bedragen;
het thuiswonend kind jonger dan 4 jaar: nihil;
het thuiswonende kind van 4 jaar of ouder, doch jonger dan 12 jaar waarvoor een vervoersvoorziening is geïndiceerd: 50 procent van de in lid 2 genoemde bedragen;
twee of meer thuiswonende kinderen waarvoor een vervoersvoorziening is geïndiceerd: voor elk kind 35 procent van de in lid 2 genoemde bedragen;
echtgenoten, ingeval voor beide echtgenoten een vervoersvoorziening is geïndiceerd: voor elke echtgenoot 75% van de in lid 2 genoemde bedragen;
echtgenoten met samenvallende vervoersbehoeften, ingeval voor beide echtgenoten een vervoersvoorziening is geïndiceerd: voor elke echtgenoot 50% van de in lid 2 genoemde bedragen.
De hoogte van een te verlenen financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen als bedoeld in:
artikel 6.11 lid 1 sub e van de Verordening is gelijk aan de werkelijke kosten voor zover deze hoger zijn dan het bedrag voor een referentie-auto zoals opgenomen in de geldende Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
artikel 6.11 lid 1 sub h van de Verordening is gelijk aan de werkelijke kosten met een maximum zoals opgenomen in de geldende Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
artikel 6.11 lid 1 sub i van de Verordening is gelijk aan de werkelijke kosten, met dien verstande dat indien de kosten naar verwachting per kalenderjaar hoger zijn dan € 500,- , vooraf instemming van het college is vereist.
Indien de kosten als bedoeld onder sub c zijn gemaakt zonder instemming vooraf van het college dan bedraagt de financiële tegemoetkoming maximaal € 500,-;
De hoogte van een te verlenen persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.11 lid 1 sub c van de Verordening is gelijk aan het totaalbedrag van de door een terzake erkend bedrijf uitgebrachte en door het college geaccordeerde offerte;
De hoogte van een te verlenen persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.11 lid 1 sub g van de Verordening is gelijk aan de werkelijke kosten voor zover deze, gelet op de beperking van de persoon, door het college als noodzakelijk worden aangemerkt;
De hoogte van een te verlenen persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.11 lid 1 sub h van de Verordening is gelijk aan 50% van het maximale bedrag zoals opgenomen in de geldende Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Een financiële tegemoetkoming voor een training als bedoeld in artikel 6.11 lid 1 sub j van de Verordening is gelijk aan de noodzakelijke dan wel de verwachte noodzakelijke kosten van maximaal 5 lessen.