In de sanctiestrategie staat hoe de bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke handhaving in principe plaatsvindt.In de sanctiestrategie staat hoe de bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke handhaving in principe plaatsvindt.
De volgende instrumenten kunnen worden ingezet om de naleving van regels te bevorderen:
Last onder dwangsom (afdeling 5.3.2 Awb)
Dit instrument wordt doorgaans toegepast zolang de overtreding nog ongedaan kan worden gemaakt door de overtreder. Een last onder dwangsom strekt er volgens artikel 5:32 Awb toe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding, dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen. Door een vooraankondiging wordt de overtreder in het kader van het vooronderzoek geïnformeerd over de geconstateerde overtreding en het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen. waarbij hij tevens de uitnodiging krijgt om mondeling of schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken. Bij het gesprek wordt met de overtreder de eventuele oplossingen van het probleem besproken. Een vooraankondiging blijft achterwege als er sprake is van een spoedeisend belang. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er mogelijkheden tot legalisatie zijn, wordt dit ook in de vooraankondiging meegedeeld waarbij de overtreder in overweging wordt gegeven om hiervoor de nodige stappen te zetten (bijvoorbeeld door aanpassing van een bouwwerk of door het alsnog indienen van de benodigde vergunning). Wanneer na afloop van het vooronderzoek is gebleken dat een lasgeving nodig is om de kwestie op te lossen, krijgt de overtreder een termijn om de overtreding te beëindigen voordat een dwangsom wordt verbeurd. De termijn en de hoogte van de dwangsom zijn afhankelijk van de aard en omvang van de overtreding. In principe worden alle verbeurde dwangsommen ingevorderd. Wanneer een aangekondigde sanctie als puntje bij paaltje niet wordt uitgevoerd, verflauwt na verloop van tijd de effectiviteit van dit instrument. Wanneer toch wordt afgezien van invordering van een dwangsom dan moet dit expliciet worden besloten, waarbij duidelijk wordt gemotiveerd waarom van invordering wordt afgezien. De enkele omstandigheid dat na het verbeuren van dwangsommen alsnog aan de last is voldaan is op zich geen reden van invordering af te zien.
Last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1 Awb)
Slechts in bijzondere omstandigheden zal worden gekozen voor bestuursdwang. Onder bestuursdwang wordt verstaan de bevoegdheid om door "feitelijk handelen" op te treden tegen met de wet strijdige situaties. Voorbeelden: het slopen of verzegelen van panden. De feitelijke beëindiging zal in al haar aspecten zorgvuldig voorbereid en uitgevoerd moeten worden. Bestuursdwang kan onder meer aan de orde zijn als de overtreder niet bekend is of wanneer hij niet (meer) in staat is om de overtreding op te heffen. Het heeft dan weinig zin om hem onder dreiging van een dwangsom te gelasten om de overtreding te beëindigen. In dat geval zal het bestuursorgaan zelf maatregelen nemen. Het uitgangspunt van het bestuur is dat de overtreder daadwerkelijk de door de gemeente gemaakte kosten vergoedt. Wanneer de gemeente ervan afziet de kosten daadwerkelijk in rekening te brengen of in te vorderen zal dit expliciet moeten worden besloten en moeten worden gemotiveerd.
Bestuurlijke boete (afdeling 5.4.1 en 5.4.2 Awb)
In afdeling 5.4 van de Awb wordt de mogelijkheid geboden in bepaalde gevallen een bestuurlijke boete op te leggen. Dit is een sanctie met een "punitief" karakter, in tegenstelling tot de lastgeving welke die tot het voorkomen of beëindigen van een onrechtmatige situatie. Bij een lastgeving wordt de overtreder geacht iets te doen. Bij een administratieve boete wordt de overtreder bestraft voor het begaan van de overtreding. Dit kan aan de orde zijn bij onomkeerbare situaties, zoals het illegaal kappen van bomen of het slopen van gebouwen. Een bestuurlijke boete wordt niet opgelegd als tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging al een strafvervolging is ingezet.
Strafrechtelijke sancties
Situaties die in aanmerking komen voor strafrechtelijk optreden worden doorgegeven aan strafrechtelijke partners (OM, politie en de buitengewone opsporingsambtenaren). Er kan dan proces verbaal worden opgemaakt. Net als de bestuurlijke boete heeft dit instrument een punitief karakter.
Intrekken vergunning (5.19 Wabo)
De Wabo biedt de mogelijkheid om de omgevingsvergunning in te trekken als achteraf blijkt dat:
De vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
Niet overeenkomstig de (regels van de) vergunning wordt gehandeld;
Niet overeenkomstig de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd;
Dit instrument wordt nog weinig toegepast. Doorgaans wordt eerst gepoogd om middels (de dreiging van) een lastgeving de overtreder ertoe te bewegen om alsnog te voldoen aan de vergunde situatie. Het college kan echter besluiten om ook dit instrument toe te passen. Het zal vooral aan de orde zijn als de vergunning blijkt te zijn gebaseerd op onjuiste informatie, bijvoorbeeld er een bedrijfswoning wordt aangevraagd, terwijl achteraf blijkt dat sprake is van een particuliere bewoning, en de noodzakelijkheid van de bedrijfswoning is gebaseerd op onjuiste gegevens.
Ook eigen organisatieonderdelen en andere overheden hebben zich te houden aan de geldende regels. Als er een overtreding wordt geconstateerd waarvoor ze verantwoordelijk zijn, moet daar tenminste op vergelijkbare wijze op worden gereageerd als op overtredingen die door burgers of bedrijven worden begaan. De overheid dient immers uit het oogpunt van geloofwaardigheid het goede voorbeeld te geven.
Overtredingen bij de eigen organisatie worden direct aan de verantwoordelijke collega gemeld en het afdelinghoofd wordt van de overtredingen op de hoogte gebracht. Indien er geen hersteltermijn kan worden afgesproken dan wel een hersteltermijn niet wordt nagekomen zal het management over de overtredingen in kennis worden gesteld. Het management of het bestuur zorgt er voor dat passende maatregelen worden genomen om de overtreding te beëindigen, deze in de toekomst te voorkomen en zo nodig de schade te herstellen. Indien de overtreding na hercontrole niet is verholpen, stelt het afdelingshoofd het OM en de VROM-inspectie op de hoogte van de overtreding en de afhandeling. Indien strafrechtelijk optreden gewenst blijkt, dient dit niet door een eigen BOA te worden uitgevoerd.