In het derde en vierde lid is overeenkomstig de bepalingen in artikel 3 vierde en vijfde lid de verlaging van de norm vastgesteld op respectievelijk 20 procent bij een woning bewonen waaraan voor belanghebbenden geen kosten van huur of, in geval van een eigen woning geen:
hypotheekrente (de aflossing van de hypotheek wordt niet als woonlasten beschouwd)
onroerend zaakbelasting eigenaardeel,
opstalverzekering,
onderhoudskosten vooroorlogse / naoorlogse woning,
installatie voor centrale verwarming,
liftinstallatie, of
algemeen beheer en administratie (bij flatgebouwen en appartementen)
verbonden zijn, en 10 procent bij het niet aanhouden van een woning.