1. Instellingen die voor een subsidie peuteropvang in het kalenderjaar in aanmerking wensen te komen voor een subsidie op grond van artikel 6 lid 12 (subsidie reguliere peuterplaats peuteropvang) en lid 13 (subsidie VVE peuterplaats peuteropvang) moeten in afwijking van Algemene subsidieverordening Welzijn Gemeente Neder-Betuwe jaarlijks voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar een subsidieaanvraag indienen.
2. In aanvulling op de Algemene subsidieverordening Welzijn Gemeente Neder-Betuwe moet de aanvraag als bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn voorzien van:
a. een gespecificeerde opgave per voorziening (locatie) van:
i. registratienummer landelijk register, locatienaam, adres en contactgegevens;
ii. het aantal kinderen voor wie in het kalenderjaar reguliere peuterplaatsen peuteropvang wordt aangeboden (conform artikel 6 lid 12), waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 6 lid 2;
iii. het aantal doelgroepkinderen voor wie in het kalenderjaar VVE peuterplaatsen peuteropvang wordt aangeboden (conform artikel 6 lid 13);
b. voor het kalenderjaar 2013 geldt bij aanvraag een opgave van de aantallen genoemd onder a.iii, dat een opgave wordt gevraagd van de aantallen doelgroepkinderen per 1 september;
c. een opgave van het voor het kalenderjaar (jaar waar de aanvraag betrekking op heeft) geldende uurtarief;
d. een opgave van de (verwachte) eigen bijdrage per peuterplaats peuteropvang en voorschoolse educatie met in achtneming van de door het college van burgemeester en wethouders voor het kalenderjaar op grond van artikel 6 lid 7 en 8 vastgestelde maxima;
e. een beschrijving van het VVE programma zoals bedoeld in lid 8 van artikel 1;
f. een verklaring dat wordt voldaan aan de bepalingen en verplichtingen van deze deelsubsidieverordening.
3. Burgemeester en wethouders nemen voor 1 januari van het kalenderjaar een besluit over de subsidieverlening.
4. In aanvulling op hoofdstuk 2 van de Algemene subsidieverordening Welzijn Gemeente Neder-Betuwe moet de aanvraag als bedoeld in lid 4 van dit artikel zijn voorzien van:
a. een gespecificeerde opgave per voorziening (locatie) van:
i. registratienummer landelijk register, locatienaam, adres en contactgegevens;
ii. het aantal doelgroepkinderen voor wie in het kalenderjaar peuterplaatsen voorschoolse educatie in de kinderdagopvang wordt aangeboden (conform artikel 6 lid 10) met kopieën van bewijsstukken waaruit blijkt dat er voor de betreffende kinderen aanspraak is op voorschoolse educatie (indicatie consultatiebureau);
5. Burgemeester en wethouders kunnen voor het indienen van aanvragen peuteropvang aanvraagformulieren vaststellen.