Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 8

Het subsidiebudget

Onderdeel van Deelsubsidieverordening peuteropvang gemeente Neder-Betuwe 2013

1. Burgemeester en wethouders bepalen jaarlijks met inachtneming van de in de (concept)gemeentebegroting vastgestelde budgetten voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar welk bedrag beschikbaar is voor peuteropvang. Voor zover de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld door de gemeenteraad geldt voor de hoogte van deze budgetten het zogenaamde begrotingsvoorbehoud conform artikel 4.34 van de Algemene Wet Bestuursrecht. 2. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks voor 1 september per kalenderjaar de hoogte vast van de te verlenen subsidie voor een reguliere peuterplaats peuteropvang op grond van artikel 6 lid 2 en een VVE peuterplaats peuteropvang op grond van artikel 6 lid 3 en 4 alsmede de subsidie op grond van artikel 6 lid 9 en10. 3. Burgemeester en wethouders verdelen de subsidie voor peuteropvang als volgt: a. voor regulier peuteropvang wordt een maximum bedrag vastgesteld dat als volgt verdeeld wordt: i. per instelling wordt conform de berekening van artikel 6 de kosten van het aangevraagde aantal peuterplaatsen peuteropvang per voorziening berekend; ii. wanneer het totaal van alle subsidiabele aanvragen van alle voorzieningen het totale budget voor peuteropvang voor het kalenderjaar niet overschrijd wordt op grond hiervan het aantal subsidiabele peuterplaatsen peuteropvang voor het kalenderjaar per voorziening vastgesteld; iii. wanneer er na de verdeling het aantal subsidiabele peuterplaatsen peuteropvang nog ruimte in het budget aanwezig is kunnen burgemeester en wethouder (een deel van) het resterende budget verdelen over de voorzieningen voor peuteropvang voor het geval van groei van de vraag van het aantal peuterplaatsen peuteropvang in het kalenderjaar; b. voor VVE peuteropvang wordt een maximum bedrag vastgesteld dat als volgt verdeeld wordt: i. per instelling wordt conform de berekening van artikel 6 de kosten van het aangevraagde aantal VVE peuterplaatsen peuteropvang per voorziening berekend; ii. wanneer het totaal van alle subsidiabele aanvragen van alle voorzieningen het totale budget voor VVE voor het kalenderjaar niet overschrijd wordt op grond hiervan het aantal subsidiabele VVE peuterplaatsen peuteropvang voor het kalenderjaar per voorziening vastgesteld; iii. wanneer er na de verdeling het aantal subsidiabele peuterplaatsen VVE nog ruimte in het budget aanwezig is kunnen burgemeester en wethouder (een deel van) het resterende budget verdelen over de voorzieningen voor peuteropvang voor het geval van groei van de vraag van het aantal peuterplaatsen peuteropvang in het kalenderjaar; c. indien het totaal van de aangevraagde subsidie het door burgemeester en wethouders vastgestelde budget, als bedoeld in lid1, overschrijd vindt een herverdeling van de te verlenen subsidie per voorziening plaats, bij deze herverdeling wordt gelet op de per 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar gerealiseerde capaciteit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel