Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Verordening rioolrecht 2009

In de opzet van de verordening is gekozen voor het opnemen van een artikel dat begripsomschrijvingen bevat. Ad. b Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van de Gemeentewet aangewezen door het college. Ad. c In onderdeel c is aangegeven dat onder de gemeentelijke riolering mede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater wordt begrepen. Van 'voor de openbare dienst bestemd' is sprake indien de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen strekken ten algemenen nutte. Zowel van de rioolbuizen als van het oppervlaktewater kan dat worden gezegd. Het oppervlaktewater zal veelal tevens een andere bestemming hebben, zoals die van openbare waterweg, vaarweg of afwateringskanaal. Ook in die gevallen is het gebruik van het openbare gemeentewater voor rioleringsdoeleinden een gebruik overeenkomstig de bestemming. Als het openbare gemeentewater geen rioleringsdoeleinden dient behoort het vanzelfsprekend niet tot de gemeentelijke riolering. Ad. d In onderdeel d is aangegeven wat voor de toepassing van de verordening wordt verstaan onder afvalwater. Het begrip afvalwater is zo ruim dat alle stoffen die via de riolering worden afgevoerd daarmee onder de heffing gebracht kunnen worden. Daarmee is de in veel verordeningen voorkomende term 'water en/of faecale stoffen' verlaten. Ad. e In onderdeel e is aangegeven dat onder eigendom wordt verstaan een roerende of een onroerende zaak. In de fiscale wetgeving wordt met het begrip eigendom nogal eens onroerende zaak bedoeld. De verordening beoogt echter ook roerende eigendommen die op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten in de heffing te betrekken. Bij roerende eigendommen die op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan caravans, woonboten en niet-onroerende zomerhuisjes. Ad f. Onderdeel f behelst een definitie van het begrip verbruiksperiode. De uit de afrekening blijkende hoeveelheid van het waterleidingbedrijf afgenomen water is van belang voor de vaststelling van de afgevoerde hoeveelheid afvalwater, waarvoor in artikel 4 regels zijn gegeven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel