In de opzet van de verordening is gekozen voor het opnemen van een artikel dat
begripsomschrijvingen bevat.
Ad. b
Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en verplichtingen
die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig gelden voor de ambtenaar die
belast is met de heffing van de gemeentelijke belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond
van artikel 232 lid 2 sub a van de Gemeentewet aangewezen door het college.
Ad. c
In onderdeel c is aangegeven dat onder de gemeentelijke riolering mede het voor de
openbare dienst bestemde gemeentewater wordt begrepen. Van 'voor de openbare dienst
bestemd' is sprake indien de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen strekken ten
algemenen nutte. Zowel van de rioolbuizen als van het oppervlaktewater kan dat worden
gezegd. Het oppervlaktewater zal veelal tevens een andere bestemming hebben, zoals die van
openbare waterweg, vaarweg of afwateringskanaal. Ook in die gevallen is het gebruik van
het openbare gemeentewater voor rioleringsdoeleinden een gebruik overeenkomstig de
bestemming. Als het openbare gemeentewater geen rioleringsdoeleinden dient behoort het
vanzelfsprekend niet tot de gemeentelijke riolering.
Ad. d
In onderdeel d is aangegeven wat voor de toepassing van de verordening wordt verstaan
onder afvalwater. Het begrip afvalwater is zo ruim dat alle stoffen die via de riolering
worden afgevoerd daarmee onder de heffing gebracht kunnen worden. Daarmee is de in veel
verordeningen voorkomende term 'water en/of faecale stoffen' verlaten.
Ad. e
In onderdeel e is aangegeven dat onder eigendom wordt verstaan een roerende of een
onroerende zaak. In de fiscale wetgeving wordt met het begrip eigendom nogal eens
onroerende zaak bedoeld. De verordening beoogt echter ook roerende eigendommen die op
de gemeentelijke riolering zijn aangesloten in de heffing te betrekken. Bij roerende
eigendommen die op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan caravans, woonboten en niet-onroerende zomerhuisjes.
Ad f.
Onderdeel f behelst een definitie van het begrip verbruiksperiode.
De uit de afrekening blijkende hoeveelheid van het waterleidingbedrijf afgenomen water is
van belang voor de vaststelling van de afgevoerde hoeveelheid afvalwater, waarvoor in
artikel 4 regels zijn gegeven.