Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

Belastbaar feit en belastingplicht

Onderdeel van Verordening rioolrecht 2009

Eerste lid Het recht wordt geheven van de gebruiker van een eigendom wegens het afvoeren van afvalwater vanuit dat eigendom. Tweede lid In dit lid zijn regels opgenomen om aan te geven wie als gebruiker van het eigendom moet worden aangemerkt. Er doen zich hier twee mogelijkheden voor die zich van elkaar laten onderscheiden door het gebruik van een al dan niet zelfstandig gedeelte van een eigendom. In onderdeel a gaat het om het gebruik van een zelfstandig eigendom, een zelfstandig gedeelte van een eigendom of verschillende zelfstandige gedeelten van een eigendom, die tezamen, met toepassing van artikel 3, als één eigendom moeten worden aangemerkt. De gebruiker is dan degene die - naar de omstandigheden beoordeeld - het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. Niet van belang is dus op welke rechtsgrond van het eigendom gebruik wordt gemaakt. Ook bij wederrechtelijk gebruik (krakers) is sprake van gebruik. Degene die het eigendom voor zich zelf bezigt, moet als gebruiker worden aangemerkt (in HR 5 september 1979, nr. 19420, BNB 1979/268 (Uitgeest) werd beslist dat het doen bouwen op een ongebouwd eigendom moet worden aangemerkt als gebruik van het eigendom door de opdrachtgever). Een recht wegens het lozen van afvalwater op de gemeentelijke riolering kan alleen worden geheven van degenen die de op die riolering aangesloten eigendommen feitelijk gebruiken. Niet als feitelijk gebruiker wordt aangemerkt diegene die verantwoordelijk is voor het gebruik (bijvoorbeeld de verhuurder), zonder het eigendom zelf te gebruiken (HR 23 mei 1990, nr. 26328, BNB 1990/239, Belastingblad 1990, blz. 470 (Tegelen). Na de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) is bij de onroerende-zaakbelastingen in bepaalde gevallen een ander dan de feitelijke gebruiker als belastingplichtige van de gebruikersbelasting aangewezen. Het is evenwel verdedigbaar te achten dat bij verhuur voor kortere perioden de verhuurder wél als feitelijk gebruiker is aan te merken. Voor de reinigingsrechten en de afvalstoffenheffing heeft de Hoge Raad dat beslist in zijn arresten van 26 februari 1992, nr. 27935, Belastingblad 1992, blz. 389 en van 1 december 1999, nr. 34301, Belastingblad 2000, blz. 57. Hof Arnhem heeft in de uitspraak van 7 mei 2002, nr. 99/00504, LJN: AE4937 (Gramsbergen) voor het rioolrecht in gelijke zin beslist. Bij het volgtijdig ter beschikking stellen aan een huurbemiddelingsbureau dat recreatiebungalows voor rekening en risico van de eigenaar verhuurt aan derden, wordt de eigenaar als gebruiker aangemerkt. Daaraan doet niet af dat de eigenaar zelf geen verblijf kan houden (zie ook Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37361, LJN: AF0960, BNB 2003/36, m.n. Snoijink (Oostburg) voor de onroerende-zaakbelastingen). De Hoge Raad heeft omtrent een overeenkomst waarbij vakantiewoningen voor rekening en risico van een huurbemiddelingsbureau werden verhuurd geoordeeld dat de eigenaar in dat geval niet als gebruiker voor het rioolrecht kan worden aangemerkt (Hoge Raad 7 februari 2001, nr. 35865, LJN: AA9843, BNB 2001/113, m.n. Snoijink (Wierden)). Wie de belastingplichtige gebruiker van een woning is, zal veelal kunnen worden bepaald aan de hand van het bevolkingsregister. Bij bedrijfsgebouwen en andere niet-woningen is dit uiteraard niet mogelijk. Daar - maar ook bij woningen - kan bijvoorbeeld de administratie van nutsbedrijven een hulpmiddel zijn. In onderdeel b gaat het om het gebruik van een niet-zelfstandig gedeelte van een eigendom, waarop het bepaalde in artikel 3 van de verordening geen toepassing vindt. In artikel 3 gaat het om de kleinste zelfstandig bruikbare eenheid, terwijl hier sprake is van een nietzelfstandig gedeelte van een eigendom. De uitsluiting van het bepaalde in artikel 3 is alleen voor de duidelijkheid in de onderhavige bepaling opgenomen. Onderdeel b ziet op de situatie dat de degene die één of meer gedeelten van het eigendom ten gebruike afstaat, maar, naar de omstandigheden beoordeeld, zelf wel van het eigendom gebruik blijft maken. Te denken valt aan de situatie waarin de kamers van een studentenhuis in gebruik worden afgestaan. Iedere kamer heeft een aansluiting op de riolering zodat vanuit iedere kamer afvoer van afvalwater mogelijk is en die afvoer ook feitelijk geschiedt. Omdat geen kamer als zelfstandig gedeelte kan worden aangewezen (artikel 3) wordt het gebruik nu toegerekend aan de gebruiker van een gedeelte van het studentenhuis die de andere kamers in gebruik heeft afgestaan. Indien de verhuurder van de kamers zelf geen gebruik maakt van een gedeelte van het studentenhuis, kan hij niet worden aangemerkt als gebruiker van het studentenhuis. Van de gebruiker van het eigendom wordt een recht geheven wegens het afvoeren van afvalwater vanuit het eigendom op de gemeentelijke riolering. Ook hier zijn de woorden 'direct of indirect' om redenen van duidelijkheid opgenomen. Het direct of indirect afvoeren van afvalwater hangt samen met het direct of indirect aangesloten zijn van het eigendom op de gemeentelijke riolering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel