Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 26

Afbouwregeling

Onderdeel van Bezoldigingsregeling Drechterland 2012

Aan de medewerker wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikelen 23, 24 en 25, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend, indien: die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage bedoeld in artikel 10, en b.de medewerker de toelage - als bedoeld in artikelen 23, 24 en 25 - direct voorafgaand aaan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de medewerker van 60 jaar of ouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage - als bedoeld in artikelen 23, 24 en 25 - een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, als de medewerker deze toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van die toelage, gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage - als bedoeld in artikelen 20, 21 en 22 - heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid. Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking ver- staan een onderbreking van langer dan twee maanden. De hoogte van de aflopende vergoeding wordt bepaald door de uitkeringsperiode in drie gelijke delen te splitsen, waarbij –te beginnen met het eerste deel- afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande dat de maximumduur van de uitkeringsperiode niet wordt overschreden. Gedurende de drie deelperioden bedraagt de aflopende vergoeding achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de berekeningsbasis. Aan de uitkeringsperiode voor de aflopende vergoeding is een maximum verbonden van drie jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel