Krachtens artikel 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft
men geen recht op een voorziening voor zover een voorziening op
grond van een andere wettelijke bepaling met betrekking tot de
problematiek bestaat.
Dit wil zeggen dat wanneer een adequate oplossing wordt geboden
door het gebruik maken van deze voorzieningen, deze optie voorgaat
boven een, in casu, aanspraak op de voorziening hulp bij het
huishouden.
Het bestaan van een wettelijke, anders bekostigde voorliggende
voorziening maakt de Wmo-aanspraak onmogelijk. Het is daarbij niet
van belang of van de voorliggende voorziening daadwerkelijk gebruik
gemaakt wordt of niet. Er moet bij de indicatiestelling vanuit
worden gegaan dat de voorliggende voorziening beschikbaar is.
Het feit dat de instantie die verantwoordelijk is voor de
realisatie van de voorziening in gebreke is gebleven, is geen reden
dit af te wentelen op de Wmo. Voorbeeld: de Zorgverzekeringswet, de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De afweging of voorliggende
voorzieningen een adequate oplossing bieden voor het probleem van de
zorgvrager is een vraag die de indicatiesteller zich stelt nadat de
afweging: “Is hier sprake van gebruikelijke zorg?” heeft
plaatsgevonden.
Deel › Hoofdstuk 3
Artikel 3.1
Voorliggende voorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels hulp bij het huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de Voorzieningenverordening WMO 2010