Naar hoofdinhoud

Deel › Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Voorliggende voorzieningen

Onderdeel van Beleidsregels hulp bij het huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de Voorzieningenverordening WMO 2010

Krachtens artikel 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft men geen recht op een voorziening voor zover een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling met betrekking tot de problematiek bestaat. Dit wil zeggen dat wanneer een adequate oplossing wordt geboden door het gebruik maken van deze voorzieningen, deze optie voorgaat boven een, in casu, aanspraak op de voorziening hulp bij het huishouden. Het bestaan van een wettelijke, anders bekostigde voorliggende voorziening maakt de Wmo-aanspraak onmogelijk. Het is daarbij niet van belang of van de voorliggende voorziening daadwerkelijk gebruik gemaakt wordt of niet. Er moet bij de indicatiestelling vanuit worden gegaan dat de voorliggende voorziening beschikbaar is. Het feit dat de instantie die verantwoordelijk is voor de realisatie van de voorziening in gebreke is gebleven, is geen reden dit af te wentelen op de Wmo. Voorbeeld: de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De afweging of voorliggende voorzieningen een adequate oplossing bieden voor het probleem van de zorgvrager is een vraag die de indicatiesteller zich stelt nadat de afweging: “Is hier sprake van gebruikelijke zorg?” heeft plaatsgevonden.

Rechtspraak bij dit artikel