Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 3.2

Het recht op een vervoervoorziening

Onderdeel van Verordening voorzieningen gehandicapten 2006

1.. Het college verstrekt slechts een vervoervoorziening wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek daartoe nopen. 2.. Het college verstrekt slechts een vervoervoorziening als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 en 2 en de voorziening als bedoeld in artikel 3.1 lid 3 sub c, indien het inkomen niet meer bedraagt dan het norminkomen als bedoeld in artikel 1.1 sub k. 3.. Het college houdt bij de verstrekking van een vervoervoorziening rekening met de individuele vervoersbehoefte. 4.. Het college verstrekt geen voorziening als bedoeld in artikel 3.1 indien gebruik kan worden gemaakt van het regulier openbaar vervoer. 5.. Het college verstrekt slechts een voorziening als bedoeld in artikel 3.1 lid 2 als geen gebruik kan worden gemaakt van de OV-taxi. 6.. De gehandicapte kan slechts voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.1 lid 3 sub b en lid 4 sub c in aanmerking komen, indien geen van de overige in artikel 3.1 genoemde voorzieningen als adequaat kan worden aangemerkt. 7.. De gehandicapte kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 sub d kiezen door af te zien van aanspraak op de in artikel 3.1 lid 1 sub a, b en c genoemde voorzieningen. 8.. De gehandicapte kan slechts voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.1. lid 4 sub a, b en d in aanmerking komen als hij over een adequate stalling beschikt. De kosten van deze stalling moeten in redelijke verhouding staan tot de huur- en aanschafkosten van de verwachte gebruiksduur van de betreffende voorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel