Voor persoonsgebonden omgevingsvergunningen voor bewoning van
recreatiewoningen geeft artikel 4, onder 10 bijlage II Bro zelf
voorwaarden ten aanzien van de toepasbaarheid. De recreatiewoning moet
voldoen aan de bouwtechnische eisen van een reguliere woning, de
verlening mag niet in strijd zijn met milieuregelgeving en de aanvrager
moet in elk geval op 31 oktober 2003 meerderjarig zijn en op dat moment
de recreatiewoning als woning in gebruik hebben gehad en deze sedertdien
onafgebroken hebben bewoond. In tegenstelling tot de andere vergunningen
op grond van artikel 2.12 Wabo is deze vergunning persoonsgebonden en
niet overdraagbaar.
Artikel 4, onder 10 bijlage II Bor geeft slechts beperkte voorwaarden
voor het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning. Wij achten het
noodzakelijk om aanvullende voorwaarden te stellen. Verzoeken zullen aan
de wettelijke bepalingen en de beleidsregels worden getoetst.
Op 15 mei 2007 hebben wij beleid vastgesteld ten aanzien van
onrechtmatige bewoning van recreatiewoonverblijven. Dat beleid stelt
regels aan het verlenen van persoonsgebonden gedoogbeschikkingen (PGB’s)
maar is, na de komst van de Wabo, niet aangewezen als beleid ten aanzien
van omgevingsvergunningen. Aanvragen om omgevingsvergunningen werden op
grond van de wettelijke kaders getoetst. Ons beleid komt grotendeels
overeen met de wettelijke bepalingen. Het gemeentelijke beleid geeft
echter een aantal extra voorwaarden. Wij wensen het gevoerde beleid
ongewijzigd voort te zetten.
In de ledenbrief van de VNG van 8 februari 2012 doet zij een voorstel om
gemeentelijk beleid vast te stellen. De modelbeleidsregels van de VNG
stellen dat een situatie niet in aanmerking komt voor een
omgevingsvergunning als er vóór 1 januari 2010 een last onder dwangsom
of bestuursdwang is opgelegd of er een gedoogbeschikking is genomen. De
op 15 mei 2007 vastgestelde beleidsregels gaan er van uit dat een
situatie ook al niet in aanmerking kwam voor een PGB als een situatie
voor 31 oktober 2003 is gewraakt en er nog geen handhavingsbeschikking
is genomen.
Om te voorkomen dat personen in aanmerking komen voor een
omgevingsvergunning terwijl zij zijn aangeschreven middels een
wrakingsbrief en daarmee een handhavingsactie in gang is gezet, is het
gewenst om het op 15 mei 2007 vastgestelde beleid als beleidsregels voor
het verlenen omgevingsvergunningen voor het bewonen van
recreatiewoningen te gebruiken. Daarbij is het reëel om als criterium te
blijven hanteren dat een situatie niet in aanmerking komt als deze op of
vóór 31 oktober 2003 is gewraakt.
De VNG stelt ook voor om regels te stellen voor het aanvoeren van
bewijsmiddelen om aan te tonen dat de bewoning vóór 31 oktober 2003 is
aangevangen en dat nog steeds onafgebroken plaatsvindt. Daarbij wordt
een lijst van gegevens genoemd waarbij ten minste twee genoemde
bewijsmiddelen moeten worden overgelegd. Om op basis van slechts twee
administratieve bewijsmiddelen af te gaan is echter niet reëel. Beter is
het om uit te gaan van de samenhang van feiten en omstandigheden die
leiden tot het beeld dat iemand ergens permanent woont. Bij
handhavingszaken wordt hier door de rechtelijke macht ook altijd van
uitgegaan. In de omgekeerde situatie zou dit dan ook niet anders moeten
zijn. Ook is het een ongewenst effect dat personen waarvan de aanvraag
reeds eerder is afgewezen opnieuw een beroep zouden kunnen doen. Er is
op grond van ons beleid namelijk altijd gekeken naar de totale samenhang
van feiten en omstandigheden. Zo kunnen situaties zijn afgewezen waarbij
bijvoorbeeld twee bewijsmiddelen de stelling ondersteunen dat iemand aan
de criteria voldoet maar er acht bewijsmiddelen tegenover staan die het
tegendeel bewijzen. Als een aanvraag nu op grond van slechts twee
bewijsmiddelen (zonder de totale samenhang) wordt beoordeeld, zou dit
tot een onterechte verlening van een vergunning kunnen leiden.
Wij hebben de peildatum en de bepaling omtrent bewijsmiddelen van de VNG
niet overgenomen. Wij verklaren paragraaf 5.1.1 van het op 15 mei 2007
vastgestelde beleid ten aanzien van het verlenen van beschikkingen van
toepassing als beleidsregels voor het verlenen een omgevingsvergunning
voor het bewonen van recreatiewoonverblijven. Daarmee wordt het sinds
2007 gevoerde beleid ongewijzigd voortgezet.
2.
Artikel Bewoning recreatiewoningen
Artikel Bewoning recreatiewoningen
Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht