gebruiksgoederen
1.Hoogte aflossingsbedrag
De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag wordt als volgt vastgesteld:
voor personen met een periodieke bijstandsuitkering wordt de aflossingsverplichting bepaald op het voor beslag vatbare bedrag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8;
indien belanghebbende geen uitkering (meer) ontvangt, geldt dat de aflossing op de wijze wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.
Voorwaarde buiten invorderingstelling
De belanghebbende komt in aanmerking voor buiten invorderingstelling van het restant van een lening voor duurzame gebruiksgoederen als:
gedurende tenminste 36 maanden (3 jaar) aaneengesloten aan de aflossingsverplichting is voldaan, of
gedurende 3 jaar niet (volledig) aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft betaald.
Het buiten invorderingstelling van de restantschuld na 36 maanden gebeurt ambtshalve.
3. Verlenging termijn
De termijn van 36 maanden wordt verlengd als een belanghebbende niet gedurende 3 jaar aaneengesloten heeft afgelost, bijvoorbeeld wegens het tussentijds betalen van een boete, en na de onderbreking de aflossing op de leenbijstand wordt voortgezet tot de periode van 36 maanden is bereikt.
Meerdere leenbijstanden Indien leenbijstand wordt verleend terwijl op dat moment nog op een eerder verleende leenbijstand wordt afgelost, wordt de aflossing op de oudste leenbijstand voortgezet. Tegelijkertijd dient bij het verlenen van de nieuwe leenbijstand te worden besloten om de aflossing hierop voor de duur van de reeds lopende aflossing op nihil te stellen. Nadat tot buiten invorderingstelling van het restant van de oudste leenbijstandvordering is overgegaan of de leenbijstand is afgelost, dient aansluitend te worden afgelost op de nieuwe leenbijstand. Voor de maximale aflossingsperiode van 36 maanden op de nieuwe leenbijstand tellen dan de maanden waarover de aflossing op nihil werd gesteld, wel volledig mee.
Geen buiten invorderingstelling
Er wordt niet tot een buiten invorderingstelling, als in dit artikel bedoeld, overgegaan indien:
geen, onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt over het inkomen, waardoor het college de hoogte van de aflossingsverplichting op een te laag bedrag heeft vastgesteld;
de belanghebbende verwijtbaar nalatig blijft binnen een jaar bewijsstukken te overleggen (zie beleidsregels bijzondere bijstand), waardoor de rechtmatigheid van de verstrekking niet kan worden vastgesteld;
de belanghebbende binnen een jaar na bijstandsverlening niet kan aantonen dat hij het geld op de juiste manier heeft besteed.
HOOFDSTUK 4
Artikel 18
– Maximale aflossingsperiode van leningen voor duurzame
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2013