Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 10

Ingangsdatum en tijdvak

Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012 - 2

1.. De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. 2.. In afwijking van het eerste lid vindt de verlaging van de uitkering direct plaats als: er sprake is van het niet of te laat inleveren van een rechtmatigheidsformulier; de uitkering in die maand nog niet is uitbetaald. 3.. de verlaging van de uitkering vindt plaats: voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging; voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is van een tweede verwijtbare gedraging, waarvoor hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging. De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 13, tweede lid. 4.. Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening. 5.. Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel