Bij het nemen van een besluit tot plaatsing als bedoeld in artikel 27 lid 1 van deze regeling, neemt het college de volgende voorkeursvolgorde in acht:
de medewerker blijft zijn eigen, ongewijzigde functie (zie definitie in artikel 1 sub l) vervullen;
de medewerker wordt geplaatst in een passende functie (zie definitie in artikel 1 sub m) binnen de organisatie;
de medewerker wordt geplaatst in een geschikte functie (zie definitie in artikel 1 sub n binnen de organisatie.
Plaatsing geschiedt bij voorkeur in een functie met een functieniveau dat gelijk is aan het functieniveau van de oude functie.
Binnen de voorkeursvolgorde als bedoeld in lid 1 wordt – in volgorde van belangrijkheid - met de volgende aspecten rekening gehouden:
de geschiktheid van de medewerker voor een functie, zoals die blijkt uit opleiding- en ervaringsgegevens, beoordelingsgesprekken en andere gesprekken in verband met de ontwikkeling van de medewerker en eventuele geschiktheidstesten;
de voorkeur van de medewerker voor bepaalde functies;
het type dienstverband van de medewerker, waarbij de medewerker in vaste dienst voor gaat boven de medewerker in tijdelijke dienst.
De medewerker is verplicht om medewerking te verlenen aan het verzamelen van gegevens als genoemd in het derde lid sub a van dit artikel. De kosten van eventuele tests zijn voor rekening van de werkgever.
Indien na toepassing van het bovenstaande meerdere medewerkers in aanmerking komen voor plaatsing in dezelfde functie wordt bij de volgorde van plaatsing zodanig rekening gehouden met het afspiegelingsbeginsel dat voor en na de organisatiewijziging de leeftijdsopbouw binnen de leeftijd categorieën 15 tot 25 jaar, 25 tot 35 jaar, 35 tot 45 jaar, 45 tot 55 jaar en 55 jaar en ouder zoveel mogelijk gelijk blijft.