Naar hoofdinhoud

deel A › Paragraaf 4

Artikel 4.2

Een samenhangend stelsel van criteria

Onderdeel van Welstandsnota 2011

In principe kan elke gemeente zijn eigen welstandscriteria hanteren, zolang dit wordt gedragen door de gemeenteraad. Als het gaat om de karakteristieken die de gemeente haar eigen identiteit verlenen, is dat een goede zaak. Een groot deel van het grondgebied omvat echter ook bebouwing zonder specifiek plaatselijke kenmerken, maar met meer regio-gebonden kenmerken (bijvoorbeeld de nederzettingsstructuur). Voorts bestaat het bouwen in Nederland voor een groot deel uit (standaard-) objecten: kleine gebouwen, verbouwingen en uitbreidingen, waarvoor een maatschappelijk geaccepteerd scala aan oplossingen en vormen is ontwikkeld, en waarvoor objectieve, meetbare criteria op te stellen zijn. Met het oog op het bovenstaande is het dus logisch dat de welstandsnota niet bestaat uit één soort criterium, maar uit een samenhangend stelsel van uiteenlopende criteria. Er is een onderscheid te maken in de volgende hoofdgroepen: algemene aspecten van welstandstoetsing (algemene criteria); gebiedsgerichte welstandscriteria; welstandscriteria voor specifieke objecten (objectgerichte criteria); welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (sneltoetscriteria). Algemene criteria Algemene criteria liggen (vaak onzichtbaar) ten grondslag aan alle welstandsadviezen van Burgemeester en wethouders en de welstandscommissie, deze criteria vormen als het ware de basis van de welstandsadvisering. Ook worden de algemene criteria gebruikt in bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte, de objectgerichte of de sneltoetscriteria ontoereikend zijn: dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid of verschijningsvorm wél bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan Burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. In Deel B volgt een uitgebreide beschrijving van de algemene criteria. Gebiedsgerichte criteria Gebiedsgerichte criteria zijn, zoals de term al aangeeft wel gekoppeld aan specifieke gebieden. Door middel van gebiedsgerichte criteria worden de maten, marges of hoedanigheid van het planaspect vergeleken met de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. Elk gebied kent een vastgesteld welstandsniveau op basis waarvan beoordeeld wordt. In Deel B zullen de gebiedscriteria nader aan de orde komen. Objectgebonden criteria Objectgebonden criteria zijn criteria voor veel voorkomende bijzondere gebouwen. Voorbeelden zijn streekgebonden gebouwen en voor een regio karakteristieke boerderijen. In Deel B wordt nader ingegaan op de objectgebonden criteria. Sneltoetscriteria Sneltoetscriteria zijn niet gebiedsgebonden en zijn te kenmerken als gestandaardiseerde welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen, als dakkapellen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen etc. De sneltoetscriteria zijn sterk toegesneden op woningbouw, in woongebieden waarbij eenheid in de hele wijk wordt nagestreefd. Verwacht wordt dat deze criteria in elk geval geen bezwaren opleveren. In Deel C zullen deze nader gespecificeerd worden.

Rechtspraak bij dit artikel