In principe kan elke gemeente zijn eigen welstandscriteria
hanteren, zolang dit wordt gedragen door de gemeenteraad.
Als het gaat om de karakteristieken die de gemeente haar
eigen identiteit verlenen, is dat een goede zaak. Een groot
deel van het grondgebied omvat echter ook bebouwing zonder
specifiek plaatselijke kenmerken, maar met meer
regio-gebonden kenmerken (bijvoorbeeld de
nederzettingsstructuur). Voorts bestaat het bouwen in
Nederland voor een groot deel uit (standaard-) objecten:
kleine gebouwen, verbouwingen en uitbreidingen, waarvoor een
maatschappelijk geaccepteerd scala aan oplossingen en vormen
is ontwikkeld, en waarvoor objectieve, meetbare criteria op
te stellen zijn. Met het oog op het bovenstaande is het dus
logisch dat de welstandsnota niet bestaat uit één soort
criterium, maar uit een samenhangend stelsel van
uiteenlopende criteria. Er is een onderscheid te maken in de
volgende hoofdgroepen:
algemene aspecten van welstandstoetsing (algemene
criteria);
gebiedsgerichte welstandscriteria;
welstandscriteria voor specifieke objecten
(objectgerichte criteria);
welstandscriteria voor veel voorkomende kleine
bouwplannen (sneltoetscriteria).
Algemene criteria
Algemene criteria liggen (vaak onzichtbaar) ten grondslag
aan alle welstandsadviezen van Burgemeester en wethouders en
de welstandscommissie, deze criteria vormen als het ware de
basis van de welstandsadvisering. Ook worden de algemene
criteria gebruikt in bijzondere situaties wanneer de
gebiedsgerichte, de objectgerichte of de sneltoetscriteria
ontoereikend zijn: dit kan bijvoorbeeld het geval zijn
wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige
omgeving maar door bijzondere schoonheid of
verschijningsvorm wél bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit
van de omgeving, kan worden teruggegrepen op de algemene
welstandscriteria. De welstandscommissie kan Burgemeester en
wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk
adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en
objectgerichte welstandscriteria. In praktijk betekent dit
dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene
welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere
schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan
worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van
welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk
dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en
het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich
sterker van zijn omgeving onderscheidt. In Deel B volgt een
uitgebreide beschrijving van de algemene criteria.
Gebiedsgerichte criteria
Gebiedsgerichte criteria zijn, zoals de term al
aangeeft wel gekoppeld aan specifieke gebieden. Door middel
van gebiedsgerichte criteria worden de maten, marges of
hoedanigheid van het planaspect vergeleken met de
gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. Elk gebied
kent een vastgesteld welstandsniveau op basis waarvan
beoordeeld wordt. In Deel B zullen de gebiedscriteria nader
aan de orde komen.
Objectgebonden criteria
Objectgebonden criteria zijn criteria voor veel voorkomende
bijzondere gebouwen. Voorbeelden zijn streekgebonden
gebouwen en voor een regio karakteristieke boerderijen. In
Deel B wordt nader ingegaan op de objectgebonden
criteria.
Sneltoetscriteria
Sneltoetscriteria zijn niet gebiedsgebonden en zijn te
kenmerken als gestandaardiseerde welstandscriteria voor veel
voorkomende kleine bouwplannen, als dakkapellen, aan- en
uitbouwen, bijgebouwen etc. De sneltoetscriteria zijn sterk
toegesneden op woningbouw, in woongebieden waarbij eenheid
in de hele wijk wordt nagestreefd. Verwacht wordt dat deze
criteria in elk geval geen bezwaren opleveren. In Deel C
zullen deze nader gespecificeerd worden.
deel A › Paragraaf 4
Artikel 4.2
Een samenhangend stelsel van criteria
Onderdeel van Welstandsnota 2011