De Algemene subsidieverordening Goeree-Overflakkee staat vermogensvorming in de vorm van reserves toe. Daarbij is er een spanningsveld. Enerzijds moeten gesubsidieerde instellingen voldoende vrijheid van handelen krijgen om slagvaardig en bedrijfsmatig werken te stimuleren. Dit betekent een zekere armslag om perioden met ‘slecht weer’ te kunnen overbruggen. In dat kader is het van belang om een eventueel positief resultaat – er vanuit gaand dat de afgesproken prestaties zijn geleverd – niet direct en volledig af te romen. Bovendien zou een dergelijke afroming eerder stimuleren om nog snel voor het eind van een subsidiejaar extra uitgaven te doen die mogelijk niet echt noodzakelijk zijn. Anderzijds moet ook worden voorkomen dat ten koste van gemeenschapsgeld overmatig aan reservevorming bij instellingen wordt gedaan. Resumerend betekent dit dat reservevorming mogelijk is, maar dat het aantal en de omvang van de reserves beperkt wordt. Hieronder – en bij de beleidsregels per beleidsterrein – worden daarom aanvullende voorwaarden gesteld aan reserves. Daartoe worden eerst de begrippen reserves en voorzieningen nader toegelicht.
1 Reserves
Reserves maken deel uit van het eigen vermogen van de instelling. De instelling kan zelf vrij beschikken over de betreffende middelen. Reserves worden gevormd uit de exploitatieoverschotten en zijn hierdoor een winstbestemming.
o Algemene reserves zijn reserves met een algemeen karakter en daarom vrij aanwendbaar. Zij zijn onder andere bedoeld om eventuele bedrijfsrisico’s op te vangen, waarmee een gebudgetteerde instelling wordt geconfronteerd.
o Bestemmingsreserves zijn specifieke reserves waaraan tevoren een bestemming is gegeven. Voorbeelden voor bestemmingsreserves zijn:
inventaris (onderhoud en vervanging);
onderhoud eigen gebouwen;
egalisatiereserve (om verschillen in jaarlijkse inkomsten en uitgaven te spreiden).
Voorzieningen
Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen van de instelling. Voorzieningen zijn gericht op het kunnen voldoen van vooraf duidelijk kwantificeerbare verplichtingen. Voorzieningen kunnen louter en alleen worden aangewend voor het doel waarvoor zij zijn ingesteld. Voorzieningen worden gevormd uit de exploitatie in het jaar waarop de verplichting is ontstaan en dient tot het gelijkmatig verdelen van de lasten over een beperkt aantal jaren. Het vormen van voorzieningen is een normaal aspect van de bedrijfsvoering en dient daarom onderdeel uit te maken van de begroting en rekening van de instelling. Er is dus sprake van normale kosten. Daarom kunnenvoorzieningen nooit voortvloeien uit het feit, dat de gemeente subsidie verstrekt. Voorzieningen kunnen gevormd worden voor:
personele verplichtingen (ziektevervanging, wachtgeldverplichtingen, pensioenverplichtingen, reorganisatiekosten e.d.);
belastingverplichtingen;
lopende bezwaar- en beroepschriften;
te verwachten schadeclaims van derden.
De hoogte van de reserves en voorzieningen moet in redelijke relatie staan tot het totaal aan lasten van de instelling en de voorzieningen moeten een duidelijke relatie hebben met de verwachte risico’s. Anders gezegd: een instelling komt niet voor een subsidie in aanmerking als de instelling zich in een zodanige financiële positie bevindt dat de subsidie feitelijk overbodig is.
De volgende regels gelden voor reserveopbouw bij de subsidievormen:
Subsidievorm
Regel reserveopbouw
Prestatiesubsidie
Op basis van afspraken uitvoeringsovereenkomst
Waarderingssubsidie
Eigen vermogen bedraagt niet meer dan vier
maal het aangevraagde subsidiebedrag
Incidentele subsidie
Geen regels over reserveopbouw
Projectsubsidie
Geen regels over reserveopbouw
Vastgoedsubsidie
Geen regels over reserveopbouw
Jubileumsubsidie
Geen regels over reserveopbouw
Erkende organisaties dienen toestemming van burgemeester en wethouders te vragen om reserves of voorzieningen op te bouwen. In dit geval worden de door burgemeester en wethouders goedgekeurde reserves en voorzieningen niet meegenomen in de berekening van de eigen middelen in het kader van de subsidieverlening en subsidievaststelling.
Valt het eigen vermogen hoger uit dan in de regel afspraak is, dan wordt het meerdere in mindering gebracht op de subsidie. In het uiterste geval zou het vermogen zo groot kunnen zijn, dat van subsidieverlening wordt afgezien of de volledige subsidie wordt teruggevorderd.
Afwijking van de algemene regel is toegestaan, mits voldoende onderbouwd.
Bij de instellingen met een prestatiesubsidie moet bij de subsidieaanvraag een vermogensplan worden gevoegd. In dat plan staat opgenomen:
welke reserves met welke oogmerken gevormd zijn of gaan worden;
de gewenste maximale omvang per reserve;
per reserve; de verwachte storting in of onttrekking uit de reserve.
Op basis van dit plan beoordelen burgemeester en wethouders de eigen vermogenspositie van de instelling.
Bij de berekening van subsidies voor het nieuwe subsidiejaar, wordt, indien er op het gebied van gewenste prestaties en activiteiten niets wijzigt, uitgegaan van het subsidiebedrag exclusief kortingen wegens te hoge reserves of voorzieningen.
Een gesubsidieerde instelling mag, behoudens toestemming van burgemeester en wethouders, geen vermogen onderbrengen in steunstichtingen, waaraan zij gelieerd is. Voorbeelden van dergelijke steunstichtingen zijn supportersverenigingen en stichtingen als
“Vrienden van..”. Vermogen, dat desondanks bij een steunstichting is ondergebracht, wordt geacht te behoren tot vermogen van de instelling en wordt bij de subsidieberekening betrokken op basis van bovenstaande regel reserveopbouw.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.3
Reserves en voorzieningen
Onderdeel van Algemene beleidsregel subsidieverstrekking Goeree-Overflakkee