**1..** Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
terrein - niet zijnde een beschermd archeologisch rijksmonument -
voorlopig aanwijzen als archeologisch belangrijke plaats.
**2..** Met ingang van het tijdstip waarop een besluit tot voorlopige
aanwijzing aan de eigenaar en anderszins rechthebbenden is
bekendgemaakt, geniet de plaats voorbescherming doordat het bepaalde
in artikel 4 van overeenkomstige toepassing is.
**3..** Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit is afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het college neemt zo
spoedig mogelijk na het doorlopen van de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure een definitief besluit omtrent het al dan
niet aanwijzen van het terrein.
**4..** De aanwijzing vervalt indien een archeologisch belangrijke plaats
onherroepelijk wordt aangewezen als beschermd archeologisch
rijksmonument op grond van de Monumentenwet 1988.
Artikel 4 Verbodsbepaling verstoring
Het is verboden om in een archeologisch belangrijke plaats
of in een archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper
dan de op de gemeentelijke archeologische waardenkaart
aangegeven verstoringsdiepten te verstoren.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:
het een verstoring betreft van een archeologisch
verwachtingsgebied en waarbij die verstoring
plaatsvindt:
in een gebied met een lage tot redelijk hoge
archeologische verwachting en het te verstoren
gebied kleiner is dan 200 m2;
in een gebied met een hoge archeologische
verwachting en het te verstoren gebied kleiner is
dan 100 m2;
in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn
opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;
bij een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6,
eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet
ruimtelijke ordening of bij een projectbesluit als
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die
wet, verplichtingen zijn opgelegd of voorschriften
zijn opgenomen in het belang van de archeologische
monumentenzorg;
het college nadere regels stelt met betrekking tot
de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
verstoring van een archeologisch belangrijke plaats
of archeologisch verwachtingsgebied, zoals:
het treffen van maatregelen om de aanwezige
archeologische overblijfselen in de bodem te
behouden;
het verrichten van archeologisch veldonderzoek
ten einde de archeologische overblijfselen te
documenteren;
begeleiding van de werkzaamheden door een
gekwalificeerd archeoloog.
een rapport is overlegd waarin de archeologische
waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel
van het college in voldoende mate is vastgesteld en
waaruit blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden in
voldoende mate kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring
niet onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden
aanwezig zijn.
HOOFDSTUK 2
Artikel 3
Aanwijzing als archeologisch belangrijke plaats
Onderdeel van Archeologieverordening Ridderkerk 2013