Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 3

Aanwijzing als archeologisch belangrijke plaats

Onderdeel van Archeologieverordening Ridderkerk 2013

1.. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een terrein - niet zijnde een beschermd archeologisch rijksmonument - voorlopig aanwijzen als archeologisch belangrijke plaats. 2.. Met ingang van het tijdstip waarop een besluit tot voorlopige aanwijzing aan de eigenaar en anderszins rechthebbenden is bekendgemaakt, geniet de plaats voorbescherming doordat het bepaalde in artikel 4 van overeenkomstige toepassing is. 3.. Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het college neemt zo spoedig mogelijk na het doorlopen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure een definitief besluit omtrent het al dan niet aanwijzen van het terrein. 4.. De aanwijzing vervalt indien een archeologisch belangrijke plaats onherroepelijk wordt aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument op grond van de Monumentenwet 1988. Artikel 4 Verbodsbepaling verstoring Het is verboden om in een archeologisch belangrijke plaats of in een archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper dan de op de gemeentelijke archeologische waardenkaart aangegeven verstoringsdiepten te verstoren. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied en waarbij die verstoring plaatsvindt: in een gebied met een lage tot redelijk hoge archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 200 m2; in een gebied met een hoge archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2; in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; bij een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening of bij een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die wet, verplichtingen zijn opgelegd of voorschriften zijn opgenomen in het belang van de archeologische monumentenzorg; het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch belangrijke plaats of archeologisch verwachtingsgebied, zoals: het treffen van maatregelen om de aanwezige archeologische overblijfselen in de bodem te behouden; het verrichten van archeologisch veldonderzoek ten einde de archeologische overblijfselen te documenteren; begeleiding van de werkzaamheden door een gekwalificeerd archeoloog. een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel