1. Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
gelegenheid gesteld zijn ziens-wijze naar voren te brengen.
2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
omstandigheden hebben voorgedaan;
c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid;
d. de verlaging wordt opgelegd wegens ernstige misdragingen als bedoeld
in artikel 13 van deze verordening.