Naar aanleiding van genoemde gevaren en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid om met gebruikmaking van artikel 7.10 of artikel 7.16 van het Bouwbesluit 2012 het stallen van scootmobielen in verkeersruimten van woongebouwen uit te sluiten dan wel toe te staan onder voorwaarden, hanteert het college het navolgende beleid. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen niet-besloten gemeenschappelijke verkeersruimten en besloten gemeenschappelijke verkeersruimten, omdat de mate van genoemde risico’s daartussen verschillen. Bij een niet-besloten vluchtroute, zoals een open galerij, is immers een dusdanige conditie dat rook en warmte bij brand voldoende worden afgevoerd.
Tevens zijn er een aantal organisatorische voorschriften opgenomen die toezien op een bewuste en verantwoordelijke omgang met brandveilige voorzieningen. Afgezien van genoemde wettelijke bevoegdheid op grond van artikel 7.10 of artikel 7.16 Bouwbesluit 2012 in het kader van brandveiligheid en vluchtveiligheid gelden de volgende twee aanvullende beleidsafspraken:
1. Om normaal gebruik van de verkeersruimte te waarborgen wordt bij het stellen rekening gehouden met de toegankelijkheid van het gebouw. Volgens artikel 4.23 lid 2 van het Bouwbesluit 2012 dient in een gemeenschappelijke verkeersruimte de minimale doorgangsbreedte voor toegankelijkheid 1,2 m te zijn. In gevallen waar onder voorwaarden een scootmobiel kan worden toegestaan in de gemeenschappelijke verkeersruimte wordt de minimale doorgangsbreedte van 1,2 m gerespecteerd, waarbij een plaatselijke versmalling over 20% van de lengte van de verkeersruimte wordt toegestaan.
De minimale vluchtbreedte op grond van het Bouwbesluit 2012 is voor nieuwbouw 0,85 m (artikel 2.107 lid 8) en voor bestaande bouw 0,50 m (artikel 2.117 lid 4). Bij het verbinden van voorwaarden aan het stallen van scootmobielen wordt rekening gehouden met het gevoerde beleid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), inhoudende dat alleen woonruimte wordt toegekend indien de breedte van de gang minimaal 0,85 m is. Ter plaatse van de toegestane versmalling van maximaal 20% (van de lengte van de verkeersruimte) wordt daarom een minimale breedte van 0,85 m aangehouden.