De hoogte van het persoonlijk minimabudget bedraagt:
voor gezinnen: 40% van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
21, aanhef en onder c. van de wet;
voor alleenstaanden: 40% van de bijstandsnorm, genoemd in
artikel 21, aanhef en onder a. van de wet, vermeerderd met
40% van de maximale toeslag, genoemd in artikel 25, tweede
lid van de wet;
voor een gezin, verblijvend in een inrichting: 40% van de
bijstandsnorm, genoemd in artikel 23, eerste lid, aanhef en
onder b. van de wet, vermeerderd met 40% van het bedrag,
genoemd in artikel 23, tweede lid, aanhef en onder b. van de
wet;
voor een alleenstaande, verblijvend in een inrichting: 40%
van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 23, eerste lid,
aanhef en onder a. van de wet, vermeerderd met 40% van het
bedrag, genoemd in artikel 23, tweede lid, aanhef en onder
a. van de wet.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de
bijstandsnorm en toeslag, exclusief vakantietoeslag.
De hoogte van het persoonlijk minimabudget wordt naar boven afgerond
tot het eerste gehele getal.
De hoogte van het persoonlijk minimabudget wordt bepaald aan de hand
van de bijstandsnorm en toeslag, zoals deze gelden per 1 januari van
het jaar, waarin de peildatum gelegen is.
Artikel 6
Hoogte van het persoonlijk minimabudget
Onderdeel van Verordening persoonlijk minimabudget gemeente Overbetuwe 2015