Artikelsgewijze toelichting op de Verordening gemeentegaranties
Doelstelling en juridische grondslag gemeentegaranties
Met een gemeentegarantie wordt hier bedoeld een borgtocht waarbij de gemeente Leiden zich tegenover een geldverstrekker gedurende een bepaalde looptijd krachtens een overeenkomst als bedoeld in artikel 7:850 lid 1 Burgerlijk Wetboek verbindt tot nakoming van de aan een geldlening verbonden rente- en aflossingsverplichtingen van een geldnemer voor zover de geldnemer hiermee in gebreke blijft.
Aan deze (privaatrechtelijke) borgtochtovereenkomst van de gemeente met een geldverstrekker gaat een (bestuursrechtelijk) garantiebesluit van het College van Burgemeester en Wethouders vooraf. Volgens de parlementaire geschiedenis van hoofdstuk 4, titel 4.2. (subsidietitel), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het verstrekken van een garantstelling beschouwd als het verstrekken van een subsidie in de zin van de Awb. Een aanvraag om een gemeentegarantie is dus een subsidieaanvraag. Onder een subsidie wordt ingevolge artikel 4:21 Awb verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen en diensten.
Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.
De noodzaak van de onderhavige verordening vloeit onder meer voort uit het feit dat er een wettelijke grondslag moet zijn voor het verlenen van een garantie. In artikel 4:23, eerste lid, van de Awb is immers bepaald dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Hoewel de gemeente beschikt over een Subsidieverordening, voorziet die verordening niet in een regeling voor het verstrekken van garanties. De onderhavige verordening voorziet daar wel in. De verordening is ook nodig om de financiële risico’s voor de gemeente te beperken, oneigenlijk gebruik van gemeentegaranties te voorkomen en uniforme regels te stellen voor de garantieverlening.
Ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak is de gemeente gerechtigd garanties te verlenen. Dit maakt het voor sommige instellingen mogelijk geldleningen aan te gaan en daarmee investeringen te plegen, die zonder gemeentegarantie niet mogelijk waren geweest. De gemeente kan dit financiële instrument dus benutten om bepaalde activiteiten die het gemeentelijk belang dienen, te stimuleren. Voor zover het gemeentelijk belang niet is gediend, wordt geen gemeentegarantie verleend.
Ditzelfde financiële instrument wordt ook geboden door nationale waarborgfondsen, waarbij de risico’s door de gemeenten als collectief worden gedragen in plaats van door de gemeente individueel. Voor zover een waarborgfonds bereid is een garantie te verstrekken, verstrekt de gemeente geen garantie. Bovendien wordt een gemeentegarantie slechts verstrekt, voor zover dit voor de aanvrager noodzakelijk is om een leningsovereenkomst te kunnen sluiten. De gemeentegarantie wordt dus geacht een laatste mogelijkheid te zijn om de financiering van activiteiten waarmee een gemeentelijk publiek belang wordt gediend, rond te krijgen. Een afweging dient dan plaats te vinden van het publiek belang tegenover het risico van de garantstelling voor de gemeente en de eigen risicopositie van de gemeente, waarvoor het weerstandsvermogen is gevormd.
Artikel toelichting
Artikel toelichting
Onderdeel van Verordening gemeentegaranties voor geldleningen 2013