Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 3.8

Strafsoorten

Onderdeel van Protocol integriteitsschendingen

Als er na afweging besloten wordt tot een disciplinaire maatregel is er sprake van bestuurlijke afdoening, omdat alleen het college een dergelijke straf kan opleggen (zie ook § 3.10). In de CAR/UWO staat welke disciplinaire straffen er opgelegd kunnen worden. De lichtste vorm is een schriftelijke berisping, de zwaarste is strafontslag. De genoemde mogelijkheden zijn limitatief. Dat houdt in dat er geen andere disciplinaire straf kan worden opgelegd dan die waarin de CAR/UWO voorziet. Er is geen vaste leidraad voor het koppelen van een bepaalde straf aan een bepaald soort plichtsverzuim want elk geval staat op zichzelf. Er zijn niettemin wel enkele logische lijnen. Zo kan incidentele ongeoorloofde afwezigheid in de regel afdoende worden gestraft met inhouding van vakantiedagen of een berisping. Bij verwijtbare veronachtzaming van de functie-uitoefening ligt het voor de hand om – als ontslag (nog) niet aan de orde is – gedurende een bepaalde termijn geen jaarlijkse salarisverhoging toe te kennen, de salarisschaal tijdelijk te verlagen of over te gaan tot overplaatsing in een andere functie. Ook is een combinatie van straffen mogelijk. Veelvoorkomende combinaties zijn voorwaardelijk strafontslag plus een financiële straf, of voorwaardelijk strafontslag plus verplaatsing (als straf of als ordemaatregel). Belangrijk is de regel dat de nadelige gevolgen van strafoplegging niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van het strafbesluit. Een keer te laat komen kan bijvoorbeeld niet leiden tot strafontslag. Maar te laat komen voor werkzaamheden in roosterdiensten met vervangingsproblemen zal wel zwaarder wegen dan in normale kantoorsituaties. De voorwaarde van evenredigheid geldt uiteraard ook bij een combinatie van straffen. Straffen kunnen ook voorwaardelijk worden opgelegd. De straf wordt dan wél opgelegd maar de uitvoering daarvan wordt onder bepaalde voorwaarden opgeschort. De meest voorkomende voorwaarde is dat de betrokkene zich gedurende een bepaalde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk of aan ander (ernstig) plichtsverzuim. Verder kunnen er aanvullende voorwaarden gesteld worden voor zover deze verband houden met het voorkómen van verwijtbare gedragingen. Als bijvoorbeeld een medewerker wegens ongewenste intimiteiten de straf is opgelegd van voorwaardelijk ontslag kan hem verboden worden om tijdens werktijd op eigen initiatief contact op te nemen met het slachtoffer. Als de ambtenaar zich opnieuw schuldig lijkt te maken maakt aan plichtsverzuim, dan moet de procedure van onderzoek en eventuele tenlastelegging weer worden gevolgd. Als dat leidt tot de vaststelling van soortgelijk of ander ernstig plichtsverzuim, kan de eerdere voorwaardelijk opgelegde straf alsnog uitgevoerd worden. De strafmaat hoeft dan niet opnieuw afgewogen te worden. Bij het oorspronkelijke ontslagbesluit is dat immers al gebeurd. De ambtenaar wordt wel in de gelegenheid gesteld – eventueel met bijstand van een raadsman – te worden gehoord over het voornemen de voorwaardelijk opgelegde straf om te zetten in feitelijke straf.

Rechtspraak bij dit artikel