9.1 Het ambitieniveau van Nuenen
Bij de uiteindelijke inrichting van het archeologiebeleid binnen de gemeente zijn verschillende beleidsinstrumenten denkbaar. De kernvraag bij de keuze voor een bepaalde combinatie is hoe de gemeente haar nieuwe rol als bevoegd gezag voor de AMZ wil vormgeven. Daarbij spelen de aard en omvang van het eigen bodemarchief, het programma van ruimtelijke projecten en ingrepen in de bodem en de gemeentelijke ambitie op het gebied van cultuurhistorie en historische identiteit een belangrijke rol. De gemeente Nuenen streeft in ieder geval naar een zekere autonomie zowel bij het selecteren van archeologische waarden die beschermende maatregelen behoeven, als bij de daaruit voortvloeiende acties.
De herziene Monumentenwet geeft gemeenten de nodige beleidsruimte bij het vormgeven van de taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg. De ruimtelijke ambities van de gemeente Nuenen in de komende jaren zijn relatief groot. Veel van de geplande projecten liggen in zones met een verhoogde kans op het aantreffen van nieuwe archeologische vindplaatsen of het aansnijden van reeds bekende. Enerzijds vormen de activiteiten binnen en buiten de bebouwde kom weliswaar een risico voor archeologisch erfgoed, gelijktijdig bieden ze mogelijkheden voor onderzoek naar het verleden, het in stand houden van monumenten en een betekenisvolle inrichting van de ruimte. Om te voorkomen dat de meest waardevolle delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen, moeten de uitgangspunten van het archeologiebeleid aansluiten op de ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme. Daarom wil de gemeente Nuenen de archeologische monumentenzorg, inbedden in het ruimtelijk beleid, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de gemeente. Uitgangspunt daarbij is het vinden van een verantwoorde balans tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid op gemeentelijk niveau. Het doel is te komen tot een archeologiebeleid dat voldoet aan de wettelijke eisen omtrent de integratie van archeologische waarden in de ruimtelijke ordening, maar waarin ook eigen cultuurhistorische accenten en prioriteiten worden gelegd, die de gemeente bij ruimtelijke planvorming voldoende zelfstandige beslissingsbevoegdheid biedt. De gemeente stelt zich daarbij concreet ten doel steeds een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Centraal daarbij staat het behoud van representatieve delen ven het verleden landschap en de archeologische vindplaatsen die daarin verborgen liggen. Bij de afweging over het al dan niet voorschrijven van (voor)onderzoek bij bodemingrepen gaat Nuenen uit van een zo effectief mogelijke inzet op archeologie. Centraal daarbij staat de potentiële kenniswinst die daarbij te behalen valt.
Voor de uitwerking daarvan worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Het gemeentelijk grondgebied wordt onderverdeeld in zes zones met een verschillende waardering/verwachting van het bodemarchief (gebieden met archeologische verwachtingen en/of vastgestelde waarden);
Conform artikel 41a van de Monumentenwet stelt de gemeente voor deze gebieden haar eigen vrijstellingsgrenzen vast waarbinnen ruimtelijke ingrepen en bodemingrepen (tot een diepte en/of oppervlakte) worden vrijgesteld van AMZ-eisen;
Conform artikel 38 van de Monumentenwet stelt de gemeente een verordening vast waarin zij zelfstandig regels vaststelt met betrekking tot de archeologische monumentenzorg in de gemeente;
Er wordt een gemeentelijke archeologische beleidskaart vastgesteld als ruimtelijke vertaling van het beleid en de bij verordening gestelde regels;
De gemeente gaat het mogelijk maken om terreinen als gemeentelijk archeologisch monument aan te wijzen (plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst).
Het bovenstaande resulteert in een combinatie van beleid en beleidsinstrumenten waarmee een maatschappelijk aanvaardbare balans wordt bereikt tussen mogelijkheden voor ruimtelijke en economische ontwikkeling enerzijds en een zorgvuldig beheer van het gemeentelijk bodemarchief anderzijds.
9.2 Beleidsinstrumenten
Een verantwoord gemeentelijk archeologisch monumentenzorgbeleid bestaat uit een combinatie van beleidsinstrumenten die de gemeente in staat stellen de vanuit het rijk opgedragen taken zo efficiënt mogelijk uit te voeren en, indien gewenst, de cultuurhistorische identiteit van de gemeente te versterken. Door archeologie van meet af aan in ruimtelijke procedures te betrekken en waar mogelijk af te stemmen met andere gemeentelijke inrichtings- en besluitvormingsprocessen wordt vertraging bij ruimtelijke planvorming voorkomen en kosten bespaard. “Onaangename” verrassingen, met alle gevolgen van dien, worden zoveel mogelijk uitgesloten, zoals een kostbare, onvoorziene opgraving. Door bekende en te verwachten archeologische waarden op tijd in planprocedures in te brengen wordt bovendien de kans vergroot dat ze succesvol kunnen worden behouden. Vanuit dit voornemen is de keuze voor het hieronder beschreven pakket aan instrumenten te kwalificeren als een verantwoorde vorm van archeologisch risicomanagement:
Opname van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen;
Gebruik van de archeologische beleidskaart;
Erfgoedverordening;
Onderzoeksagenda en selectiebeleid;
Voorlichting- en informatie voor betrokkenen;
Nadere financiële regelingen
Deze instrumenten worden hieronder nader toegelicht.
9.2.1 Opname van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen
Met de invoering van de Wamz is de verplichting ingegaan om in nieuwe of te wijzigen bestemmingsplannen archeologische waarden vast te leggen. Met de invoering van de nieuwe Wro (2008) is bovendien het bestemmingsplan ge(her)positioneerd als het centrale instrument binnen de ruimtelijke ordening voor de gemeente. Op grond van de Wamz dient de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan (zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Voor de integratie van de AMZ in de ruimtelijke ordening is de opname van archeologische waarden in het bestemmingsplan dus een essentiële eerste stap. Met een ‘archeologievriendelijk’ of ‘Malta-proof’ bestemmingsplan kan de gemeente van de aanvrager van een bouw-, sloop-, of aanlegvergunning (‘de veroorzaker’) verlangen dat (nader) archeologisch (voor)onderzoek wordt verricht. Een ‘archeologievriendelijk’ bestemmingsplan beschrijft welke terreinen vanuit archeologisch oogpunt bescherming verdienen en welk beschermingsregime bij de verschillende soorten terreinen van toepassing is. Archeologisch waardevolle terreinen en gebieden met een hoge/middelhoge archeologische verwachting worden in het bestemmingsplan gekoppeld aan een aanlegvergunning en/of aan aanvullende voorschriften voor de verlening van bouw- en sloopvergunningen. De aanlegvergunning kan bijvoorbeeld het voorschrift bevatten dat voor bodemingrepen vanaf een bepaalde diepte en/of oppervlakte een vergunning is vereist. Aan de verlening van een vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het overleggen van een rapport waarin de archeologische waarde nader wordt vastgesteld, of het (laten) verrichten van andere vormen van archeologisch onderzoek. De gemeente geeft via (standaard) richtlijnen of een Programma van Eisen (PvE) aan hoe dat onderzoek dient te worden uitgevoerd. De kosten daarvan komen voor rekening van de aanvrager (het veroorzakerprincipe). Het staat de opdrachtgever vervolgens vrij om voor de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek zelf een keuze te maken uit (erkende) aanbieders op de archeologische markt.
Uitgangspunten:
De gemeente houdt bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen;
De op de plankaart opgenomen archeologische terreinen worden gekoppeld aan bouwvoorschriften en een aanlegvergunning;
Het is niet verplicht om wettelijk beschermde archeologische terreinen (rijksmonumenten) op de plankaart aan te duiden. Met het oog op volledigheid van de informatie worden de contouren van rijksmonumenten op de plankaart opgenomen;
In de toelichting op het bestemmingsplan wordt aangegeven waarom de aangewezen terreinen vanuit archeologisch oogpunt bescherming verdienen. Hier ligt een belangrijke relatie met het archeologiebeleid zoals geformuleerd in het gemeentelijk beleidsplan;
In de planvoorschriften wordt vastgelegd welke gevolgen de gemeente verbindt aan de aanwezigheid van archeologische waarden of verwachtingen bij geplande bouwactiviteiten of andere bodemverstorende activiteiten. Die gevolgen kunnen zeer uiteenlopend zijn, variërend van “geen gevolgen voor bouwen” via “eerst onderzoeken, dan bouwen” tot en met “geen bodemverstoring, maar behoud in de bodem”;
De voorwaarden voor het verlenen van bouw-, sloop en aanlegvergunningen worden hierop aangepast;
De wet geeft de gemeente de bevoegdheid vrijstelling te verlenen voor het (laten) verrichten van archeologisch onderzoek voor kleine ruimtelijke ingrepen op “huis-, tuin- en keukenniveau”;
Indien de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan kosten moeten maken ten behoeve van archeologisch (voor)onderzoek, kan zij die kosten onder bepaalde condities verhalen in het kader van de grondexploitatie.
Het vastleggen van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen, zal plaatsvinden bij de actualisering ervan of in het geval van wijzigingsbesluiten of ontheffingen. Dat kan betekenen dat in vigerende bestemmingsplannen archeologische informatie en voorschriften nog lange tijd blijven ontbreken. Zelfs al is de archeologische informatie op de beleidskaart opgenomen, dan heeft deze nog geen automatische geldigheid binnen het planologisch proces. Zolang de archeologische waarden en verwachtingen nog niet in het bestemmingsplan planologisch zijn vastgelegd, zal de bescherming voorlopig worden geregeld via de erfgoedverordening.
9.2.2 Gebruik van archeologische beleidskaart
De beleidskaart biedt enerzijds een actueel overzicht van de stand van kennis van het gemeentelijke bodemarchief, en anderzijds van de locaties en gebieden die in aanmerking komen voor planologische maatregelen gericht op behoud, inpassing en eventueel toekomstig onderzoek in het kader van verdere planontwikkeling. Op de archeologische verwachtingen- en waardenlkaart zijn alle archeologische waarnemingen, de belangrijkste uitgevoerde archeologische onderzoeken, bekende vindplaatsen en de gebieden waarvoor een verhoogde archeologische verwachting geldt aangegeven. Daarbij zijn tevens aangemerkt de archeologische monumenten en archeologische waardevolle locaties, waarvoor in de bestemmingsplannen, en op grond van de erfgoedverordening nadere voorwaarden gelden.
De belangrijkste legenda-eenheden zijn:
Wettelijk beschermde monumenten;
Gebieden van archeologische waarde, waaronder ook historische kernen;
Gebieden met een hoge archeologische verwachting (met of zonder esdek);
Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (met of zonder esdek);
Gebieden met een lage archeologische verwachting;
Gebieden zonder archeologische verwachting;
Mogelijk verstoorde gebieden.
Van belang is dat de beleidskaart up-to-date wordt gehouden door het verwerken van nieuwe gegevens (selectiebesluiten, verricht archeologisch onderzoek, verstoringen, etc.).
9.2.3 Erfgoedverordening
De principes van het gemeentelijk archeologisch monumentenzorgbeleid worden niet alleen vastgelegd in de bestemmingsplannen, maar tevens in de gemeentelijke erfgoedverordening. Met deze geactualiseerde versie van de monumentenverordening van Nuenen creëert de gemeente in aanvulling op de planologische maatregelen, ook de mogelijkheid gemeentelijke archeologische monumenten aan te wijzen. Vooruitlopend op de noodzakelijke vastlegging van de archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen zal de gemeente Nuenen de uitgangspunten en instrumenten van het gemeentelijke archeologiebeleid voorlopig verankeren in de erfgoedverordening. Via de erfgoedverordening zal de gemeentelijke archeologische beleidskaart als uitgangspunt voor het gemeentelijke archeologiebeleid worden bekrachtigd en wordt de koppeling tussen het in dit beleidsplan geformuleerde AMZ-beleid, de planologische procedures en de archeologische beleidskaart geformaliseerd. In de erfgoedverordening worden in ieder geval de volgende onderdelen opgenomen:
procedure voor de selectie en de aanwijzing van archeologische monumenten of planologisch beschermde archeologische gebieden;
de onderverdeling van het gemeentelijke grondgebied in verschillende zones archeologische verwachtingen- en waardengebieden en de daarmee samenhangende beschermende maatregelen ten aanzien van bodemingrepen;
de rol van monumentencommissie bij procedures en vergunningen voor planologisch beschermde archeologische gebieden, bijvoorbeeld in het kader van structuurvisies en bestemmingsplannen, en bij het afgeven van monumentenvergunningen;
de inbreng van archeologische waarden in stedenbouwkundige, structuurvisies en beeldkwaliteitsplannen.
de status van de gemeentelijke archeologische beleidskaart;
Na inwerkingtreding van de aangepaste Monumentenwet zijn niet direct alle bestaande bestemmingsplannen herzien. Juist in de overgangsfase kan een opname van bekende archeologische vindplaatsen (niet zijnde Rijksmonumenten) als ‘archeologisch waardevol gebied’ in de gemeentelijke archeologie- of erfgoedverordening een oplossing bieden. Artikel 38 in de aangepaste Monumentenwet biedt daar mogelijkheden toe.[1] Het middels een gemeentelijke archeologieverordening aanmerken van terreinen waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden als ‘archeologisch monument’ of ‘archeologisch waardevol terrein’ is geen verplichting, maar een keuze. Onder de huidige wetgeving, waarbij veel (nieuw ontdekte) archeologische vindplaatsen nog geen planologische bescherming genieten, gebruiken diverse gemeenten deze mogelijkheid vooral om locaties die gelegen zijn in het stedelijke gebied te kunnen beschermen. Verder kan zich in de toekomst ook de mogelijkheid voordoen dat nieuwe archeologische locaties ontdekt worden, die nog geen bescherming genieten binnen de bestaande bestemmingsplannen. In plaats van dat in dat geval (jaren) gewacht moet worden tot een herziening van het bestemmingsplan kan ook hier opname in de gemeentelijke archeologieverordening een (tijdelijke) oplossing bieden. Overigens is planologische bescherming alleen mogelijk indien ook de (vigerende) bestemmingsplannen op deze archeologische terreinen worden aangepast, door een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan op te nemen. Verder mag een verordening niet in strijd zijn met het bestaande bestemmingsplan.
Voor alle activiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden, dient een vergunning aangevraagd te worden. In de geldende bepalingen die betrekking hebben op het verlenen van een vergunning kan dan gesteld worden dat, indien College van Burgemeester en Wethouders dat nodig achten, de mogelijkheid tot archeologisch onderzoek geboden moet worden. In de archeologie- of erfgoedverordening kunnen verder bepalingen worden opgenomen die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vereist is. Hierbij kan, net als bij de procedure tot bestemmingsplanwijzigingen, gedacht worden aan ontheffing of vrijstelling.
9.2.4 Onderzoeksagenda en selectiebeleid
Het archeologiebeleid van de gemeente Nuenen is gericht op een verstandig beheer van de aanwezige archeologische waarden, om te voorkomen dat unieke informatie over het verleden van Nuenen, Gerwen en Nederwetten verloren gaat. Dit wordt geoperationaliseerd via het streven om behoudenswaardige archeologische resten in situ te behouden. Dit betekent inpassen in de ruimtelijke inrichting en vrijwaren van bodemverstorende ingrepen. Gezien de druk op de ruimte in de gemeente en andere maatschappelijke prioriteiten is dit niet altijd mogelijk. Is er sprake van behoudenswaardige archeologie dan zal deze op verantwoorde wijze opgegraven moeten worden.
Via de koppeling van het archeologische monumentenzorgbeleid aan het ruimtelijke ordeningsbeleid is de gemeente in staat op tijd te signaleren waar zich mogelijk archeologische knelpunten voordoen en hier gepaste maatregelen voor te schrijven. De archeologische beleidskaart verbeeldt de huidige stand van kennis over het Nuenense bodemarchief en de keuzes die gemaakt zijn bij het aanwijzen van gebieden met hoge waarden of een hogere of minder hoge verwachting. De gemeente realiseert zich dat dit een momentopname is en dat we nog lang niet alle facetten van het bodemarchief in Nuenen kennen.
Door toekomstig onderzoek kunnen bestaande lacunes geleidelijk worden opgevuld, maar zullen ongetwijfeld nieuwe vragen gesteld worden. Dit zal zijn invloed hebben op onze waardering van het bodemarchief en op individuele monumenten. Nuenen realiseert zich dat er behoefte is aan een regie op de onderzoeken die in de gemeente worden uitgevoerd en aan een regelmatige evaluatie van de resultaten. Die evaluatie kan dan leiden tot een bijstelling van de beleidskaart. Een cyclus van vijf jaar lijkt daarin een realistische tijdspanne.
Bij de afwegingen die de gemeente maakt over het al dan niet voorschrijven van (voor)onderzoek bij bouw- of inrichtingsplannen spelen de mogelijkheden tot kenniswinst een belangrijke rol. Archeologisch onderzoek is kostbaar en dient te leiden tot meer en betere kennis van het verleden. Natuurlijk is het resultaat niet altijd voorspelbaar, maar de gemeente wil in de komende jaren proberen het instrumentarium, om te komen tot een effectievere inzet op archeologie, uit te bouwen. Daarbij denkt de gemeente aan de ontwikkeling van een lokale of regionale onderzoeksagenda en daaraan gekoppeld het transparanter maken van het selectiebeleid voor archeologisch waardevolle gebieden. In zo’n onderzoeksagenda krijgt het opvullen van kennislacunes met betrekking tot het Nuenense bodemarchief extra aandacht. Omdat archeologisch onderzoek in Nuenen tot op heden vrij beperkt is geweest, zijn de onderzoeksvragen voor de komende jaren breed en vooral gericht op inventarisatie van kennis.
Aandachtspunten van het archeologisch onderzoek binnen Nuenen liggen op de late prehistorie, Romeinse tijd en de middeleeuwse ontwikkeling. In de dorpskernen en onder de oude esdekken is het bodemarchief het omvangrijkst. Het buitengebied is onlosmakelijk onderdeel van de diverse dorpskernen. Het zwaartepunt ligt hier in de bewoningsgeschiedenis in de omgeving van de stad (bewoningssporen uit de diverse cultuurperioden) en de innovaties in de landbouw door de eeuwen heen. Hieronder vallen:
Het opsporen van vindplaatsen uit de vroege prehistorie, om meer grip te krijgen op de archeologische verwachting voor deze periode en onderzoek naar de leefwijze en nederzettingsstructuur van jagers en voedselverzamelaars;
Het vaststellen van de dichtheid en de verspreiding van de bewoning in de bronstijd en de ijzertijd;
Het onderzoek van nederzettingen uit de periode kort voor, en rond de komst van de Romeinen, om meer grip te krijgen op de relatie inheemse bevolking – Romeinen.
Het onderzoek van Romeinse nederzettingen met aanwijzingen voor steenbouw en een religieuze functie;
Het onderzoek van vindplaatsen uit de 4e - 6e eeuw na Chr. Over deze periode is onze kennis uiterst summier;
Onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de gehuchten, dorpen, kerken en kloosters.
Onderzoek naar nederzettingen van landbouwers en afstemming op landschappelijke mogelijkheden en technologische ontwikkelingen;
Onderzoek naar de ontwikkeling en ruimtelijke spreiding van bijbehorende elementen als begraafplaatsen en landbouwsystemen;
Onderzoek naar de productie, de distributie en het gebruik van hulpmiddelen.
Specifieke archeologische thema’s in Nuenen zijn verder: kerken en kloosters, watermolens, bewoningscontinuïteit, landschapsreconstructie, ontginningen in de (hoge) middeleeuwen (11e-15e eeuw) en het ontstaan en de ontwikkeling van de verschillende dorpen.
Archeologisch onderzoek in de gemeente Nuenen kan bijdragen aan het opvullen van leemten in de wetenschappelijke kennis over de bewoningsgeschiedenis en de ontwikkeling van het cultuurlandschap. Niet alleen vanuit lokaal perspectief, maar ook in regionaal verband is kennis over het verleden van Nuenen belangrijk, waaronder bijvoorbeeld het vergelijken van tal van culturele verschijnselen in de regio. Daarnaast is kennis over het Nuenense verleden van belang op het niveau van het Zuid-Nederlandse dekzandgebied als geheel, zoals verwoord in het universitaire onderzoeksprogramma ‘Zuid-Nederland project’ en de uitgebreide in 2006 gelanceerde Nederlandse onderzoeksagenda Archeologie (NOaA). De website van de NOaA (www.noaa.nl) bestaat uit hoofdstukken over alle vormen van archeologisch onderzoek op het Nederlands grondgebied, onderverdeeld naar regio, archeologische periode of thema. Elk hoofdstuk is het product van een team van specialisten die spraakmakende thema’s formuleren waaraan nieuw uitvoerend onderzoek een bijdrage kan leveren. Zoveel mogelijk wordt aangegeven wat in de uitvoeringspraktijk de meest geschikte methoden zijn om deze vragen te onderzoeken en te beantwoorden.
In de toekomst wil de gemeente Nuenen graag toe naar een regionale onderzoeksagenda. Een regionale onderzoeksagenda geeft inzicht in de aanwezige archeologische kennis van een bepaalde regio en geeft aan wat nog belangrijke onderzoeksvragen en thema’s zijn die nader onderzoek behoeven. Met een regionale onderzoeksagenda kunnen de gemeenten binnen een samenhangende regio gebruik maken van resultaten van archeologisch onderzoek uit elkaars grensgebieden, met de mogelijkheid voor lokale accenten. De onderzoeksagenda geeft dus aan waar nieuw uitvoerend onderzoek een bijdrage aan kan leveren, alsook wat de meest geschikte onderzoeksmethoden zijn voor de beantwoording van deze vragen. Hiermee kan deze ingezet worden als instrument voor de selectie en waardering van vindplaatsen en het opstellen van Programma’s van Eisen.
9.2.5 Voorlichting- en informatie voor betrokkenen
De gemeente voert een actief communicatiebeleid op het gebied van archeologie (loketfunctie), zodat de consequenties van haar beleid van meet af aan helder zijn voor grondeigenaren en gebruikers. Archeologische informatie wordt steeds up to date gehouden en is gemakkelijk toegankelijk, bijvoorbeeld door de meest actuele versie van de archeologische beleidskaart op te nemen in het gemeentelijk bodem- of vastgoedinformatiesysteem.
In de geest van Malta worden de resultaten van uitvoerend archeologisch onderzoek gebruikt om inwoners van de gemeente te informeren en bewust te maken van de geschiedenis van hun leefomgeving. Een goede samenwerking tussen enerzijds amateur-archeologen en lokale historici, en anderzijds de professionele uitvoerders wordt als onmisbaar gezien voor een goed functionerende archeologische zorg. De gemeente stimuleert daarbij dat locale amateur-archeologen en vrijwilligers kunnen participeren in archeologische opgravingen op het gemeentelijk grondgebied.
Voor een effectief informatie- en communicatiebeleid is het van groot belang dat:
alle betrokkenen binnen de gemeentelijke organisatie op de hoogte zijn van het gemeentelijke archeologiebeleid en de eisen die dit met zich meebrengt ten aanzien van de ruimtelijke ingrepen;
er op gemeentelijk niveau een nauwe afstemming en heldere werkafspraken worden gemaakt tussen de sectoren monumentenzorg, ruimtelijke ontwikkeling, milieu, e.d.
hetzelfde geldt voor de diensten en sectoren die (ook kleinschalige) bodemverstorende ingrepen plegen (o.a. groenvoorziening, waterbeheer, riolering, kabels/leidingen);
inwoners en potentiële bodemverstoorders helder en eenduidig worden geïnformeerd over het gemeentelijke archeologiebeleid. Dat wil zeggen de vastgestelde eisen op het gebied van de AMZ, het veroorzakersprincipe, eventuele gemeentelijke bijdrageregelingen, e.d.
resultaten van archeologisch onderzoek beschikbaar komen voor presentatie aan het publiek c.q. de inwoners van de gemeente. In de “geest van Malta” wordt het gemeentelijke AMZ-beleid en de resultaten van uitvoerend archeologisch onderzoek gebruikt om inwoners van de gemeente te informeren en bewust te maken van de geschiedenis van hun leefomgeving;
de gemeente stimuleert dat lokale amateur-archeologen en vrijwilligers kunnen participeren in de archeologische opgravingen op gemeentelijk grondgebied;
er een vast aanspreekpunt voor archeologie binnen de gemeente is.
9.2.6 Nadere financiële reglingen
Bij de bekostiging van de AMZ is het van belang een onderscheid te maken tussen de algemene uitvoeringskosten van het gemeentelijke beleid en projectgebonden uitvoeringskosten. De algemene uitvoeringskosten kunnen worden gezien als apparaatskosten (eventueel op te vatten als de bestuurslasten), noodzakelijk voor het nakomen van de generieke gemeentelijke taakstelling. Het Rijk verstrekt via een uitkering uit het gemeentefonds een bestuurslasten vergoeding aan gemeenten en provincies voor de aanloop- en uitvoeringskosten die gepaard gaan met de invoering van de wet op de archeologische monumentenzorg. Deze bestuurslasten vergoeding via het gemeentefonds heeft een structureel karakter. De gemeente is verder zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij de AMZ in het gemeentebudget opneemt.
De projectgebonden uitvoeringskosten zijn de kosten van het doorlopen van het archeologisch proces om het behoud van informatie te garanderen en/of te komen tot een verantwoorde afweging van belangen. In tegenstelling tot de generieke kosten, zijn deze in de meeste gevallen direct te relateren aan individuele bouw- en inrichtingsprojecten via het ‘verstoorder betaalt’-principe. Binnen deze projecten kan vervolgens weer een onderscheid gemaakt worden tussen gemeentelijke projecten (bijvoorbeeld voor de inrichting van de openbare ruimte), projecten van andere overheden, private initiatieven en alle gradaties daartussenin. Binnen de bestaande wet- en regelgeving staat de gemeente verschillende mogelijkheden voor het doorberekenen van de archeologiekosten in niet-gemeentelijke projecten ter beschikking. Te denken valt aan het verrekenen van archeologiekosten via de gronduitgifte, exploitatieovereenkomsten of een vorm van baatbelasting. Via het veroorzakerprincipe kan de gemeente de benodigde archeologische werkzaamheden in private projecten aan de initiatiefnemer van de ruimtelijke ingreep opdragen. De gemeente accordeert in dat soort gevallen overigens wel de randvoorwaarden waarbinnen die werkzaamheden dienen plaats te vinden (via een Programma van Eisen, en eventuele aanvullende kwaliteitseisen).
Met de implementatie van het gemeentelijke beleid en de bijbehorende vergunningsvoorschriften kan de gemeente in belangrijke mate invulling geven aan het zogenaamde veroorzakerprincipe. Van initiatiefnemers tot ruimtelijke ingrepen kan op basis daarvan verlangd worden dat zij de kosten van benodigde archeologische maatregelen en werkzaamheden voor hun rekening nemen.
Ook de gemeente zelf is echter een belangrijke initiatiefnemer tot ruimtelijke ingrepen en zal daar dus ook naar moeten handelen. Dit betekent dat in de gemeentelijke projectbegrotingen voor projecten gelegen in de hoge en gematigde verwachtingsgebieden de benodigde reserveringen voor archeologisch vervolgonderzoek zullen moeten worden gemaakt. De gemeente heeft daarbij ook een belangrijke voorbeeldfunctie.
Daarnaast zal de gemeente na moeten denken over de wijze van financiering van onderzoekskosten indien archeologische (toevals)vondsten gedaan worden bij niet-vergunningplichtige en uitgeselecteerde projecten of bij ingrepen die binnen de vastgestelde vrijstelling van onderzoek vallen in de gebieden met een lage, middelhoge en hoge verwachting.
9.3 Het gemeentelijk archeologiebeleid in de praktijk
Met het opstellen van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en de keuze voor de invulling van het AMZ-beleid is het kader geformuleerd voor de realisatie van het gemeentelijk beleid op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Voor een succesvolle archeologische monumentenzorg is echter meer nodig dan een kader. Het komt daarbij vooral aan op een zorgvuldige en pragmatische uitvoering. In het laatste deel van dit beleidsplan wordt daarom stilgestaan bij de wijze waarop de gemeente de komende jaren het beleid concreet wil gaan invullen.
Instrumentarium
Conform het rijks- en provinciaal beleid is behoud van archeologische waarden in situ het uitgangspunt;
Indien behoud niet mogelijk is, wordt een archeologische vindplaats opgegraven. Daarbij geldt het principe van “de verstoorder betaalt”;
De archeologische beleidskaart wordt formeel richtinggevend bij ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen;
Archeologisch waardevolle terreinen binnen de gemeente worden planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan en gekoppeld aan een stelsel van aanlegvergunningen en bouwvoorschriften;
De gemeente stelt zich daarbij ten doel om, in overleg met de provincie, een inhoudelijk toetsingskader vast te stellen waarbij zij op het gebied van de AMZ zoveel mogelijk autonoom beslissingen kan nemen bij ruimtelijke planvorming;
Er worden door de gemeente zelf archeologisch waardevolle gebieden geselecteerd, waarbij het behoud van een representatief beeld van het gemeentelijk bodemarchief (naar periode en vindplaatstype) het uitgangspunt is;
Op basis van nieuw vrijgekomen informatie (bodemingrepen, vrijstellingen, onderzoek, e.d.) worden veranderingen in het bodemarchief (waarden en verwachtingen) jaarlijks geactualiseerd op de archeologische basiskaart, die de basis vormt voor de beleidskaart. Op basis van de wijzigingen wordt de kaart en het beleid om de 5 jaar geëvalueerd en verwerkt in een geactualiseerde beleidskaart;
Om te komen tot een verantwoorde afweging van de archeologische belangen bij beslissingen over ruimtelijke ingrepen zal het gemeentebestuur zich tijdens het doorlopen van het AMZ-proces bedienen van deskundig advies van een daartoe gekwalificeerd archeoloog. De eisen hiervoor staan omschreven in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
In haar rol van bevoegd gezag ziet de gemeente er op toe dat bij de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek wordt gewerkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);
In haar rol van opdrachtgever van ruimtelijke ingrepen ontwikkelt de gemeente zich tot een goed opdrachtgever van archeologische werkzaamheden;
De gemeente ziet er op toe dat alle relevante informatie uit alle uitgevoerde archeologische projecten in de gemeente beschikbaar komt voor de verdere ontwikkeling van gemeentelijk beleid, alsmede voor presentatie en publicatie. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de vergaarde kennis over het bodemarchief versnipperd raakt;
Er wordt een handleiding archeologie voor alle betrokken gemeentelijke afdelingen opgesteld.
In de volgende hoofdstukken wordt een aantal uitvoeringsaspecten uitgewerkt die voor de gemeente de meeste aandacht en inzet zullen vereisen. Achtereenvolgens zijn dit:
Hoofdstuk 10: het AMZ-proces: de archeologische procedure en handleiding voor het gebruik van de archeologische beleidsadvieskaart bij ruimtelijke ingrepen en nieuwe ontwikkelingsprojecten;
Hoofdstuk 11: voorschriftcategorieën en wijze van opneming van archeologische waarden in bestemmingsplannen;
Hoofdstuk 12: voorbereiding en uitvoering van archeologische onderzoek in de gemeente en het toezicht op de kwaliteit;
Hoofdstuk 13: archeologie en publiek: draagvlakverbreding, inpassing en visualisering van archeologie in nieuwbouw- en inrichtingsprojecten (behoud in situ);
Hoofdstuk 14: Informatievoorziening- en publieksvoorlichting;
Hoofdstuk 15: De positionering van AMZ-taken in de gemeentelijke organisatie;
Hoofdstuk 16: Financiering.
Artikel Bouwstenen voor invulling van het gemeentelijke archeologiebeleid
Artikel Bouwstenen voor invulling van het gemeentelijke archeologiebeleid
Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg