Naar hoofdinhoud

Artikel Het AMZ-proces: onderzoek in stappen

Artikel Het AMZ-proces: onderzoek in stappen

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

10.1 Procedure Het AMZ-proces is een vorm van trechtering, waarbij begonnen wordt met betrekkelijk eenvoudige onderzoeksmethoden en de meer complexe en kostbare werkzaamheden pas later in het proces alleen worden toegepast op vindplaatsen die deze investeringen waard zijn. Zo wordt via een proportionele inzet van middelen gekomen tot een afweging van het archeologische belang in het kader van de ruimtelijke ordening. Het proces dat binnen de gemeente moet leiden tot de vraag of er een bouw-, sloop- of aanlegvergunning binnen een aangewezen archeologische zone kan worden verleend, is onder te verdelen in een aantal stappen, het zgn. archeologische stappenplan (zie bijlage 8: handleiding archeologische beleidskaart). Zolang archeologische terreinen en verwachtingszones niet in de bestemmingsplannen zijn opgenomen, geldt dit stappenplan ook bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten. Iedere stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is om een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Als er niet voldoende bekend is over de aard en kwaliteit van de archeologische resten (en dus over de gevolgen van de geplande ingreep) kan de gemeente verlangen dat de initiatiefnemer onderzoek laat verrichten waarmee de benodigde informatie wordt verzameld over de aard en kwaliteit van de aanwezige archeologische resten. Op basis van het onderzoeksrapport daarover neemt de gemeente een besluit over het al dan niet verlenen van een vergunning en of daaraan nadere voorwaarden worden verbonden (zoals het verrichten van verder onderzoek, aanpassing van het plan, of een eventuele opgraving). Randvoorwaarden: Voor alle stappen geldt dat de uitvoering ervan dient plaats te vinden conform specificaties vastgelegd in de protocollen en leidraden van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); Voor de onderdelen inventariserend veldonderzoek (IVO-overig en IVO-proefsleuven), opgraven en archeologische begeleiding geldt dat uitvoering alleen is voorbehouden aan bedrijven met een zgn. opgravingsvergunning; De uitvoering van inventariserend veldonderzoek (IVO-overig: o.a. boringen) vindt plaats op basis van een door een seniorarcheoloog opgesteld of goedgekeurd Plan van Aanpak. Het bevoegd gezag speelt hierin geen rol; De uitvoering van werkzaamheden in het kader van stappen 3 en 4 vindt plaats op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Dit geldt alleen voor proefsleuvenonderzoek, opgraving, inpassingsmaatregelen (behoud in situ middels een PvE) en archeologische begeleiding. Besluiten om een archeologische vindplaats op te geven (= geen nader onderzoek nodig; vaak aangeduid als “deselectie”) worden door het bevoegd gezag genomen op basis van een (KNA-conform) selectieadvies van een erkende archeologische instelling. Schematische voorstelling van het AMZ-proces (bron: KNA 3.1). Het selectiebesluit wordt telkens genomen na een archeologische onderzoeksstap: bureauonderzoek en de diverse fasen van vooronderzoek. 10.2 Toelichting op de archeologische beleidskaart In bijlage 1 is behandeld hoe de archeologische verwachtingen- en waardenkaart c.q. beleidskaart is ontwikkeld uit de uitgevoerde inventarisatie en analyse van waarnemingen en geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het grondgebied van de gemeente Nuenen en de regio Zuidoost-Brabant, en wat de argumentatie is om te komen tot de benoeming van de verschillende verwachtingen. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe met terreinen van een bepaalde archeologische verwachting omgegaan moet worden in het ruimtelijk beleid, om te komen tot een juiste en zorgvuldige behandeling van de (mogelijke) cultuurhistorische waarden in de grond. De op de beleidskaart aangegeven grenzen van de archeologische zones die onderscheiden worden, zijn in de eerste plaats bepaald op grond van de verspreiding van bekende archeologische gegevens uit het gebied en de verwachtingen op grond van het model. Daarnaast zijn de verwachte omvang van de archeologische sporen en de huidige perceelsgrenzen bepalend geweest om verwachtingszones op een voor het ruimtelijke beleid bruikbare wijze af te grenzen. In de volgende paragraaf beschrijven we de archeologische consequenties die de zones met de verschillende verwachtingen voor het beleid hebben. Hieronder wordt per geformuleerde verwachting kort ingegaan op de typering van de daartoe behorende terreinen en volgt een formulering van het archeologisch onderzoek dat op grond van deze typering geadviseerd wordt. We sluiten af met een samenvattend overzicht waarin verwachtingen en de hieruit voortvloeiende adviezen voor archeologische acties als basis voor het gemeentelijk archeologisch beleid benoemd zijn. Terreinen zonder archeologische verwachting Op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart vallen verder onder terreinen zonder archeologische verwachting: gebieden waar archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden en waarbij is vastgesteld door veldonderzoek dat de archeologisch verwachting of archeologische waarde niet meer aanwezig is; gebieden waarvan is vastgesteld dat deze zijn afgegraven of ontgrond en waar geen behoudenswaardige archeologie meer aanwezig is; grotere waterpartijen, waaronder ook geen behoudenswaardige archeologie meer aanwezig is; grootschalige nieuwbouwwijken en huizen die gebouwd zijn na 1980. Archeologisch onderzoek is hier alleen noodzakelijk bij m.e.r. plichtige inrichtingsprojecten en projecten die onder de tracéwet vallen. Terreinen met een lage archeologische verwachting De trefkans op archeologische resten is in deze gebieden op landschappelijke gronden, in vergelijking met de overige zones, relatief laag. Het gaat meestal om lager gelegen en minder vruchtbare gronden. Toch werden deze gebieden incidenteel wel gebruikt. Zo kunnen hier grafvelden voorkomen, liepen er wegen en werd er vee geweid of plaggen gestoken; ook kunnen er nederzettingen uit de Steentijd voorkomen. In moerassige gebieden, met vennen en beekdalen kunnen rituele deposities aanwezig zijn. De conservering van organisch materiaal (bijvoorbeeld: hout, leer en bot) in deze natte zones is bovendien erg goed. Het probleem van deze vondstcategorieën is echter dat het uiterst geringe vondstdichtheden betreft die qua ruimtelijk beslag zeer klein zijn en zich ook nog eens zeer lastig laten opsporen. Over het gebruik van de beekdalen is weinig bekend, en incidenteel zijn spectaculaire en bijzondere vondsten zoals bronzen bijlen of goed geconserveerd organisch materiaal aangetroffen. Om die reden zijn deze gebieden tot speerpunt van rijksbeleid gemaakt, en zijn ze niet gevrijwaard van archeologisch onderzoek. De eerste stap in het archeologisch onderzoek op dergelijke terreinen is een bureauonderzoek waarbij mogelijk bepaald kan worden of in het verleden reeds stukken van het terrein zijn verstoord en welke vindplaatsen in het verleden in de omgeving zijn aangetroffen. Indien vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht zal dit vaak plaats vinden in de vorm een proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding aangezien de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen door middel van grondboringen erg klein is. Om de onzekere archeologische verwachtingen op een financieel aanvaardbare wijze te behandelen, wordt voor terreinen met een lage archeologische verwachting in beekdalen archeologische begeleiding aanbevolen bij grootschalige inrichtingsprojecten met een omvang van meer dan 1 ha, waaronder de aanleg van ecologische verbindingen, om verspreide archeologische resten te kunnen documenteren. Rekening moet worden gehouden met de doorstart van een archeologische begeleiding in een opgraving. Terreinen met een middelhoge archeologische verwachting Op basis van de landschappelijke, geologische en bodemkundige situatie en de verspreiding van de bekende archeologische vondsten is de trefkans op archeologische relicten in deze gebieden middelhoog. Deze gebieden waren in het verleden geschikt voor bewoning maar werden ook voor andere activiteiten gebruikt. Meestal gaat het hierbij om de dekzandvlakten en beekdalen. Deze gebieden zijn in het verleden niet zo sterk opgehoogd als de terreinen met een hoge archeologische verwachting. Toch is een substantieel deel van de archeologische vondsten die in het verleden zijn gedaan van dergelijk terreinen afkomstig. Met name in het beekdal kunnen eventuele sporen door de vrij natte omstandigheden erg goed geconserveerd zijn. Op deze terreinen is geen of niet zo’n dik beschermend ophogingspakket aanwezig is dat eventuele resten goed beschermd heeft. Geadviseerd wordt daarom in geval van planontwikkeling op terreinen met een middelhoge archeologische verwachting in eerste instantie een bureau- en booronderzoek te laten uitvoeren waarbij mogelijk bepaald kan worden of in het verleden reeds stukken van het terrein zijn verstoord en welke vindplaatsen in het verleden in de omgeving zijn aangetroffen. Op basis van die verdere definiëring kan het verdere traject op het gebied van archeologisch beleid per locatie bepaald worden. In als ‘mogelijk verstoorde gebieden’ gemarkeerde terreinen kunnen verkennende boringen in eerste instantie voldoende zijn. Rekening moet worden gehouden met vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en/of opgraving. Delen van deze zone zijn bebouwd. Bebouwing van na 1980 is op de kaart weergegeven als verstoord omdat ervan uitgegaan mag worden dat de bouwputten sinds die tijd standaard tot in het gele zand uitgegraven werden. Tussen de huizen bestaan echter nog grote open ruimtes bestaande uit bijvoorbeeld achtertuinen en pleintjes. Bij verschillende onderzoeken is gebleken dat op dergelijke deels bebouwde terreinen nog voldoende archeologische informatie aangetroffen kan worden. Terreinen met een hoge archeologische verwachting Deze terreinen liggen in zones van het landschap waar volgens het in hoofdstuk 6 beschreven model de meeste archeologische vindplaatsen verwacht mogen worden. De uitgestrektheid van het gebied met een hoge archeologische verwachting houdt een direct verband met de ligging van de gemeente Nuenen op een aantal langgerekte vruchtbare dekzandruggen langs de beekdalen van de Dommel en Kleine Dommel, met in de directe nabijheid volop heide- en beemdgebied. Deze ligging verklaart de grote archeologische rijkdom van de gemeente. Deze gebieden waren in het verleden geschikte locaties voor bewoning. Meestal gaat het hierbij om hogere zandruggen die relatief dicht bij de beken lagen. Vanaf de Late Middeleeuwen zijn deze terreinen vaak als akker gebruikt waarbij door plaggenbemesting de gronden langzamerhand zijn opgehoogd en een zogenaamd plaggen- of esdek is ontstaan. Dit ophogingspakket heeft oudere bewoningssporen vaak goed geconserveerd. Veel van de archeologische vondsten die in het verleden zijn gedaan zijn afkomstig van deze terreinen. Ook in naburige gemeenten is vastgesteld dat vergelijkbare gebieden vaak rijk zijn aan archeologische resten. De kans op het aantreffen van relatief goed bewaarde sporen van vroegere bewoners is derhalve vrij groot Een hoge archeologische verwachting betekent niet dat iedere vierkante meter ook daadwerkelijk resten uit het verleden zal herbergen, gesteld kan worden dat er een grote archeologische trefkans bestaat. Dit houdt in dat in deze delen van de gemeente bij voorgenomen bodemverstorende activiteiten in principe inventariserend veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven wordt aangeraden. Het is echter niet verstandig voor iedere kleinschalige bodemingreep (bijvoorbeeld voor het uitbreiden van een woonhuis), een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De kosten zullen geen proportioneel deel uitmaken van de totale bouwkosten, de archeologische bevindingen zullen door het ontbreken van context een gedeelte van hun waarde verliezen. Geadviseerd wordt daarom om alleen bij grootschalige ingrepen in de bebouwde gebieden van voor 1980 een inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven en/of boringen tussen de huizen te laten uitvoeren. Bij verbouwing van individuele huizen waarbij graafwerkzaamheden plaatsvinden, kan volstaan worden met het toestaan van archeologische waarnemingen en/of het laten uitvoeren van een archeologische begeleiding. In als ‘mogelijk verstoorde gebieden’ gemarkeerde terreinen kunnen verkennende boringen in eerste instantie voldoende zijn. Rekening moet worden gehouden met vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en/of opgraving. Delen van deze zone zijn bebouwd. Bebouwing van na 1980 is op de kaart weergegeven als verstoord omdat ervan uitgegaan mag worden dat de bouwputten sinds die tijd standaard tot in het gele zand uitgegraven werden. Tussen de huizen bestaan echter nog grote open ruimtes bestaande uit bijvoorbeeld achtertuinen en pleintjes. Bij verschillende onderzoeken is gebleken dat op dergelijke deels bebouwde terreinen nog voldoende archeologische informatie aangetroffen kan worden. Terreinen met archeologische waarde en archeologische monumenten (bijlage 3) Voor deze delen van de gemeente is het op basis van de reeds bekende archeologische gegevens en/of op basis van de landschappelijke of historische ligging van de terreinen vrijwel zeker dat er belangrijke archeologische waarden in de grond aanwezig zijn. Het betreft de (wettelijk) beschermde monumenten, en de delen van de gemeente die op basis van de bekende archeologische waarnemingen aantoonbaar vindplaatsen bevatten of die vanwege hun ligging een zeer grote kans op het herbergen van een vindplaats hebben. Bij bodemroerende activiteiten zullen vrijwel altijd archeologische resten voor de dag komen. Deze resten zijn bovendien meestal van hoge waarde. Het valt te overwegen een aantal van deze terreinen in de toekomst op te nemen op de lijst van gemeentelijke archeologische monumenten. Binnen de gemeente liggen drie wettelijk beschermde monumenten, die allen behoren tot de grafheuvels en het urnenveld rond Gulbergen en Hanenven. Op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Noord-Brabant zijn voor Nuenen 6 terreinen aangemerkt als terreinen van hoge archeologische waarde en 3 terreinen van archeologische waarde. Op de gemeentelijke kaart zijn deze terreinen samengebracht onder de categorie terrein van archeologische waarde. Verder zijn aan deze categorie de oude dorpskernen en andere bekende historische nederzettingen van archeologische waarde toegevoegd. De omtrek van de dorpskernen en historische gehuchten van Nuenen is vastgesteld aan de hand van zichtbare bebouwing en percelering op de kadastrale minuut van 1832 alsmede uit bestaande literatuur. Om de dorpskernen en gehuchten is een buffer van circa 100 meter aangehouden waaraan eveneens een archeologische waarde wordt toegekend. Op dezelfde wijze is aangemerkt de omgeving van enkele historisch bekende (omgrachte) boerderijen, watermolens, kloosters, kerken en kapellen. Rondom deze veronderstelde locaties is een buffer van 25 m gelegd. Omdat rond de (voormalige) dorpskernen en gehuchten over een wat grotere afstand archeologische relicten verwacht kunnen worden dan bij individuele objecten wordt bij de eerste een grotere bufferzone aangehouden dan bij de tweede. 10.3 Praktische consequenties: wel of geen onderzoekseisen Binnen de archeologische monumenten, gebieden van archeologische waarde en gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachting zal, in lijn met de wijziging van de Monumentenwet 1988 (Wet op de Archeologische Monumentenzorg), van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een (financiële) inspanning gevraagd kunnen worden om resten uit het verleden op te sporen en zo nodig veilig te stellen. Deze terreinen en gebieden beslaan slechts een deel van het gemeentelijke grondgebied. Binnen deze gebieden gelden voor bepaalde ingrepen en activiteiten een aantal vrijstellingen. In zo’n vrijstellingssituatie kan soms tijdens de uitvoering van het werk op archeologische resten gestuit worden, en ook buiten de aangewezen gebieden kunnen soms archeologische resten gevonden worden. Uit de verspreiding van alle archeologische waarnemingen op de kaart blijkt bijvoorbeeld dat ook in de zones met een lage verwachting vondsten zijn gedaan. Het gaat hierbij met name om vondsten of vindplaatsen die, zoals eerder al is aangegeven, niet in een verwachtingsmodel zijn te vangen. In het geval dat in die gebieden toch archeologische resten worden aangetroffen zal de gemeente het initiatief nemen om tot een verantwoorde oplossing te komen. De Monumentenwet verplicht overigens grondeigenaren en vinders van archeologische waarden deze direct bij de gemeente te melden. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een algemene vrijstelling van de in bestemmingsplannen vast te leggen onderzoekseis opgenomen voor bodemingrepen kleiner dan 100m2. Deze vrijstelling geldt niet voor bodemingrepen in aangewezen archeologische monumenten. Het valt om die reden te overwegen een aantal “gebieden van archeologische waarde” binnen de gemeente in de toekomst aan te wijzen als gemeentelijk monument. Bij bepaalde archeologische vindplaatsen kunnen namelijk ook ingrepen kleiner dan 100m2 tot aanzienlijke schade leiden en zou de gemeente in staat moeten worden gesteld dit soort ingrepen te beperken of daaraan voorwaarden te verbinden. De oppervlaktecriteria voor de vrijstellingen zijn gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen. Om nieuwe vindplaatsen op te kunnen sporen moet dus sprake zijn van een minimale omvang. In de gebieden van een middelhoge verwachting is sprake van de combinatie van onderzoekslacune en een geringe dichtheid aan vindplaatsen. De doelstelling is hier om bij grotere ingrepen in de toekomst vooronderzoek te realiseren zodat de bestaande kennislacune kan worden opgevuld. Vindplaatsen in deze gebieden nemen vaak een groot areaal in beslag waardoor ingrepen kleiner dan 500 en 2.500 m2 die dieper gaan dan 50 cm acceptabel worden geacht. Met de twee vrijstellingsdieptes van 30 en 50 cm is vervolgens een balans gezocht tussen archeologisch verantwoord handelen en dat wat maatschappelijk en praktisch haalbaar is. In sommige delen van het Nuenense grondgebied liggen archeologische vondsten dicht aan het oppervlak. Op de dekzandruggen bevindt zich veelal een beschermend ophogingspakket, een zogenaamd es- of plaggendek, dat eventuele archeologische resten goed beschermd heeft. Ondiepe ingrepen zullen dergelijke resten niet aantasten en zijn daarom toegestaan. Voor kleine, en vrijstellingsvrije, ingrepen zou in aanvulling daarop tevens een algemene bepaling in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen, die het mogelijk maakt op initiatief van de gemeente archeologische waarnemingen te doen en interessante vondsten te documenteren. Op grond van de Monumentenwet is dit bij concrete aanwijzingen overigens ook door de Minister van OCW (onderwijs, cultuur en wetenschap) al afdwingbaar. Vanuit het Verdrag van Malta geredeneerd, dat uitgaat van behoud in situ waar mogelijk, zou het advies zijn zoveel mogelijk over te gaan tot bescherming van deze terreinen. Dit betekent in theorie dat er geen bodemverstorende activiteiten in deze gebieden zouden kunnen plaatsvinden. In de praktijk is dit echter niet altijd haalbaar en wenselijk: economische en/of sociale belangen kunnen prevaleren boven de cultuurhistorische. Indien bodemverstorende activiteiten, die kunnen leiden tot aantasting van het bodemarchief, niet te voorkomen zijn, is een inventariserend veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven noodzakelijk. Op terreinen met een hoge archeologische verwachting heeft dergelijk onderzoek tot doel aan te tonen of er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn, op terreinen met archeologische waarde wordt een IVO aangewend om de begrenzing en de mate van verstoring van de reeds bekende archeologische vindplaatsen vast te stellen. Bij terreinen met een hoge archeologische verwachting zal lang niet altijd vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving als vervolg van het IVO geadviseerd worden. Bij terreinen met archeologische waarde volgt een opgraving automatisch, ténzij uit het vooronderzoek blijkt dat de rand van een vindplaats bereikt is of de archeologische resten sterk verstoord zijn. Bij monumenten met een wettelijke status dient bij beleidsvorming altijd rekening gehouden te worden met het beleid van de overheidsinstantie die het terrein deze wettelijke status heeft gegeven (Provincie Noord-Brabant of Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten). In onderstaande tabel wordt aangegeven in welke gebieden óf en wanneer archeologisch onderzoek vereist is. Daarnaast wordt aangegeven welke eerste onderzoeksstap uit het archeologische proces aanbevolen wordt. Categorie Definitie Archeologisch onderzoek noodzakelijk? Eerste Onderzoekstap* 6. Gebied zonder archeologische verwachting Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek alleen bij MER-plicht en bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² Bureauonderzoek 5. Gebied met een lage archeologische verwachting Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek alleen bij MER-plicht en bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² Bureauonderzoek 4. Gebied met een middelhoge archeologische verwachting Bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm –maaiveld (50 cm bij esdek) Bebouwd Bureauonderzoek Grootschalige verstoringen Bureauonderzoek Onbebouwd Bureau- en booronderzoek 3. Gebied met een hoge archeologische verwachting Bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm –maaiveld (50 cm bij esdek) Bebouwd Bureauonderzoek Grootschalige verstoringen Bureauonderzoek Onbebouwd Proefsleuvenonderzoek 2. Gebied met archeologische waarde Bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm –maaiveld Proefsleuvenonderzoek 1. Archeologische monumenten Bij alle bodemingrepen ongeacht oppervlak of diepte Proefsleuvenonderzoek * Mogelijk verstoorde ondergrond: bij het archeologische vooronderzoek dient eerst de mate van verstoring dmv een verkennend booronderzoek te worden vastgesteld.

Rechtspraak bij dit artikel