Naar hoofdinhoud

Artikel Verwachtingsmodel Nuenen

Artikel Verwachtingsmodel Nuenen

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

8.1 Inleiding Om een gedetailleerder beeld te krijgen van de trefkans op archeologie binnen de gemeente Nuenen zijn de landschappelijke en historische gegevens van het bureauonderzoek gecombineerd met de archeologische gegevens afkomstig van alle 21 aangesloten gemeenten van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven en verwerkt in één database. Het verwachtingsmodel en de berekening van de kans op archeologie wordt door het gebruik van de archeologische gegevens van een groter landschappelijk aaneengesloten gebied (een zogenaamde archeoregio) betrouwbaarder, zeker wanneer een gemeente zelf nog maar weinig archeologisch onderzoek heeft uitgevoerd. De archeologische informatie die voor de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarde (IKAW) is gebruikt, en die ook is opgenomen in de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), bestaat uit een selectie van ARCHIS-gegevens die gekoppeld is aan de bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. De IKAW geeft daarmee uitsluitend informatie over het kwantitatieve aspect van het bodemarchief en doet geen uitspraak over het kwalitatieve aspect (gaafheid, conservering, waarde) van eventueel aanwezige vindplaatsen. Bovendien ontbreken gegevens over verstoringen en afgravingen, en zijn vindplaatsen die alleen op basis van historische gegevens bekend zijn, niet meegewogen. Twee andere bezwaren zijn dat de IKAW aan de beekdalen een lage verwachting geeft en aan de stad- en dorpskernen een onbekende verwachting. In de beekdalen is de trefkans inderdaad laag, maar hierbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat in beekdalen zeldzame vondsten met een hoge gaafheid aangetroffen kunnen worden. Voor de kernen is de trefkans juist groot, maar is de gaafheid een onzekere factor. Tenslotte is de IKAW gemaakt voor een gebruik op de schaal 1:50.000 en derhalve ongeschikt voor gebruik op gemeentelijk niveau. Daarbij is de IKAW vooral gebaseerd op bodemkundige verschillen. In het door plaggendekken bedekte dekzandlandschap is de geomorfologie, het reliëf en de relatie met beekdalen meer relevant voor verwachtingsmodellen. 8.2 Verwachtingsmodel De basis voor de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en vervolgens de archeologische beleidskaart is het archeologische verwachtingsmodel. Een archeologisch verwachtingsmodel doet een uitspraak over de meest waarschijnlijke locaties voor bewoning van (pre-)historische samenlevingen. In de regel betreft het kampementen van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum (en deels Neolithicum) en nederzettingen van landbouwende gemeenschappen ('landbouwers') uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De basis van het model vormen de algemene verspreidingspatronen van vindplaatsen en de geomorfologische en bodemkundige achtergrond. Hierbij is de verwachting op archeologische vindplaatsen geanalyseerd aan de hand van de verschillende landschappelijke eenheden (geomorfologie en bodem inclusief grondwatertrap) in het plangebied. Om te komen tot een archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de gemeente Nuenen is gebruik gemaakt van de regionale (historische) kennis over de bewoning in de regio en van de archeologische gegevens uit de gehele regio Zuidoost-Brabant (SRE regio), inclusief de vindplaatsen die vanuit de heemkundekringen ten behoeve van de Biografie van Peelland bijeen zijn gebracht. In totaal gaat het om 3403 vindplaatsen, die aangetroffen zijn bij veldverkenningen, grootschalige opgravingen, historisch (archief)onderzoek of toevallig werden gevonden bij niet-archeologisch graafwerk. De zogenaamde archeologische basiskaart geeft een overzicht van de archeologische vindplaatsen in Nuenen verdeeld naar tijdsperiode. Op grond van de locaties van deze vindplaatsen kunnen de eerste archeologische verwachtingen worden aangegeven. Kennis over de geomorfologische en bodemkundige (inclusief grondwatertrap) kenmerken van de vindplaatsen maakt het verder mogelijk de voorspellingen over de archeologische verwachting modelmatig te onderbouwen waardoor verwachtingen over de archeologische waarde van het hele grondgebied van de gemeente kunnen worden geformuleerd. De archeologische verwachting is daarbij bepaald aan de hand van de relatie tussen de bekende vindplaatsen in de regio en hun landschappelijke context: in vergelijkbare landschappelijke eenheden worden vergelijkbare resten uit dezelfde perioden verwacht. Door extrapolatie van de hoge onderzoeksintensiteit en hoge vondstdichtheid naar minder intensief onderzochte gebieden in de regio kunnen betrouwbare uitspraken over de archeologische verwachting gedaan worden. Het gehanteerde verwachtingsmodel voor het SRE gebied is in bijlage 1 opgenomen en op de archeologische verwachtingen- en waardekaart van Nuenen weergegeven. In de database van het verwachtingsmodel zijn alle vindplaatsen verdeeld naar hun geomorfologische en bodemkundige ligging in het landschap. Meer dan de helft van alle vindplaatsen uit het SRE gebied zijn aangetroffen op de dekzandruggen, meestal bedekt door een plaggenpakket. De archeologische verwachting voor dekzandruggen is in deze regio dan ook hoog voor alle perioden. In onderstaande tabellen is de archeologische verwachting per landschappelijke eenheid (bodem en geomorfologie) op basis van de archeologische gegevens verdeeld naar de verschillende tijdsperioden. Daaruit wordt duidelijk dat de verwachting voor Steentijd en latere perioden van elkaar verschilt per landschappelijke geomorfologische en bodemkundige eenheid, alsook per grondwatertrap. Door de voorkomende geomorfologische eenheden met bodemeenheden, grondwatertrappen en met de ligging van de reeds bekende vindplaatsen te combineren, ontstaat een statistisch onderbouwd archeologisch verwachtingsmodel. De bepaling van de verwachtingen is gebaseerd op een berekening waarin per eenheid (bijvoorbeeld dekzandrug met hoge zwarte enkeerdgrond en met grondwatertrap VII) het percentage vindplaatsen is vergeleken met de oppervlakte van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Als er minder vindplaatsen in een eenheid liggen dan op basis van een evenredige verdeling over het landschap verwacht wordt, dan scoort die eenheid laag. Als er meer vindplaatsen in een eenheid liggen, dan scoort de eenheid middelhoog of hoog. Daarbij is de regel gehanteerd dat een verschil van 0 tot 1 middelhoog scoort en een verschil van 1 of meer hoog scoort. Dit statistisch onderbouwde verwachtingsmodel vormt de basis voor de archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Aangezien de voorhanden zijnde vindplaatsgegevens niet representatief zijn voor het volledige bodemarchief van de regio en de gemeente Nuenen (niet overal is met dezelfde intensiteit naar archeologische resten gezocht), is het model op basis van expert judgement genuanceerd. De bekende archeologische en historische gegevens van Nuenen zelf en de resultaten van regionaal archeologisch onderzoek zijn gebruikt als toets en om preciseringen binnen de verwachtingen aan te brengen. De verwachting is verder verfijnd voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd op basis van historische informatie en het oudste beschikbare kaartmateriaal van Nuenen uit circa 1832 en voor alle perioden aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Er is dus – zoals tegenwoordig meestal gebeurt bij de ontwikkeling van archeologische verwachtingskaarten – gebruik gemaakt van een hybride model. Wanneer als basis voor het formuleren van verwachtingen slechts de reeds bekende vindplaatsen gebruikt worden, zullen terreinen waar weinig waarnemingen zijn gedaan laag gewaardeerd worden. Geen waarnemingen betekent echter niet: geen archeologie. Er kan sprake zijn van afgedekte vindplaatsen, kleine of vondstarme vindplaatsen, terreinen die vanwege grondgebruik slecht toegankelijk zijn (bijvoorbeeld bosgebieden), etc. Omgekeerd, wanneer verwachtingen enkel vanuit het landschappelijke model vastgesteld worden, bestaat de mogelijkheid dat verschijnselen en periodes waarover weinig bekend is, over het hoofd gezien worden. Vandaar dat gekozen is voor een gecombineerd gebruik van de beschikbare informatie, en niet voor het werken met periode- of vindplaatsspecifieke verwachtingsmodellen. Er is dan ook uitgegaan van zowel de kwantitatieve hoeveelheid vondsten ten opzicht van de bodem (op basis van regionale cijfers) als op de wetenschappelijke archeologische resultaten en historisch onderzoek in de regio. Beschrijving STEEN-TIJD BRONS-TIJD IJZER-TIJD ROMEINSE TIJD MIDDEL-EEUWEN NIEUWE TIJD ONGEDAT-TEERD TOTAAL % aantal Verwachting Bebouwing 93 35 37 47 240 75 23 550 16,16 Hoog Overig 10 8 3 3 10 1 1 36 1,06 Middelhoog Laagte afgegraven 6 7 12 4 6 0 1 36 1,06 Middelhoog Dijk 2 0 0 0 0 0 0 2 0,06 Laag Plateaus 21 0 0 0 13 7 9 50 1,47 Middelhoog Dekzand-vlakte 82 13 24 19 117 19 9 283 8,32 Hoog Dekzand- rug 406 86 170 187 397 69 49 1364 40,08 Hoog Land- en stuif-duinen 203 40 19 5 13 5 11 296 8,70 Hoog Laagte, evt. moerassig 21 2 1 0 0 0 1 25 0,73 Laag Terras- afzetting 96 43 34 20 22 3 8 226 6,64 Hoog Laagten en beken, met veen 30 8 1 11 15 4 2 71 2,09 Middelhoog Glooiing van beekdalzijde 57 10 20 27 34 6 4 158 4,64 Middelhoog Laagten en beken, zonder veen 75 8 24 17 67 12 13 216 6,35 Hoog Beek-overstromings-vlakte 15 2 2 1 13 7 3 43 1,26 Middelhoog Dal-uitspoelings-waaier 2 1 0 0 1 0 0 4 0,12 Laag Veenvlakte 15 2 1 1 1 1 5 26 0,76 Laag Veenrestrug 5 0 0 0 0 0 0 5 0,15 Laag Water 6 1 0 0 4 0 1 12 0,35 Laag 1145 266 348 342 953 209 140 3403 100,00 Tabel 1: Verdeling van SRE-vindplaatsen naar geomorfologische eenheid en tijdsperiode Uit de totale inventarisatie en analyse blijkt dat het merendeel (bijna 45 %) van de 1145 Steentijd vindplaatsen op de dekzanden (plateau, vlakten en ruggen) te vinden is, meestal bedekt door een enkeerdgrond of podzolbodem (bijna 58 %). Het merendeel (bijna 54 %) van de 1909 vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen is eveneens te vinden op de dekzandruggen en -vlakten, meestal bedekt door een enkeerdgrond of podzolbodem (ruim 66 %). Ook voor de Nieuwe tijd scoren de dekzanden hoog (ruim 46 %) en enkeergronden/podzolen hoog (47 %). De dekzandruggen zijn hoger gelegen gronden die goed geschikt zijn voor bewoning en akkerbouw. Bovendien liggen ze vaak in een overgangszone van lager gelegen, vochtigere gronden naar drogere, hoge gronden. Zowel voor jagers-verzamelaars als boeren met gemengde landbouw is dit een aantrekkelijke landschappelijke situering, op de overgang van beide te exploiteren milieus. Verder valt het hoge percentage bij de bebouwing op, dat echter te verklaren is door de vele bodemverstoringen bij nieuwbouw en dergelijke, waarbij archeologische vondsten al dan niet door opgravingen zijn ontdekt. Bodem en Grondwater-trap STEEN-TIJD BRONS-TIJD IJZER-TIJD ROMEINSE TIJD MIDDEL-EEUWEN NIEUWE TIJD ON-GEDAT-TEERD TOTAAL % aantal Verwachting Afgraving 2 1 1 1 5 0,15 laag Bebouwing 72 29 29 39 220 70 27 486 14,28 hoog Beekeerd-grond II-V 56 6 5 13 62 11 9 162 4,76 middelhoog Broekeerd-grond II-III 1 1 1 3 0,09 laag Duinvaag-grond VII 78 12 2 5 4 5 106 3,11 middelhoog Gooreerd-grond III-V 53 4 6 4 11 6 4 88 2,59 middelhoog Haarpodzol-grond VII 130 51 13 6 4 3 9 216 6,35 middelhoog Hoge bruine enkeerd-grond V 2 2 4 0,12 laag Hoge bruine enkeerd-grond VI-VII 38 2 29 21 69 15 5 179 5,26 hoog Hoge zwarte enkeerd-grond IV-V 31 5 21 13 43 9 2 124 3,64 middelhoog Hoge zwarte enkeerd-grond VI-VII 186 38 151 159 407 58 34 1033 30,36 hoog Holtpodzol-grond VII 9 17 14 11 1 52 1,53 middelhoog Laarpodzol-grond V 2 2 2 3 9 0,26 laag Laarpodzol-grond VI-VII 12 7 1 2 5 2 3 32 0,94 laag Lage enkeerd-gronden III 25 14 13 10 48 11 3 124 3,64 middelhoog Leek- Woudeerd-grond V 3 1 2 6 0,18 laag Leek- Woudeerd-grond VI-VII 1 1 1 3 0,09 laag Madeveen-grond II 24 1 1 8 12 1 1 48 1,41 middelhoog Meerveen-grond II-III 6 2 2 8 2 4 24 0,71 laag Moerpodzol-grond III-V 17 1 1 1 4 1 25 0,73 laag Ophoging 1 1 2 0,06 laag Poldervaag-grond III 1 1 0,03 laag Veldpodzol-grond III-V 119 11 6 7 8 7 158 4,64 middelhoog Veldpodzol-grond VI-VIII 199 46 18 6 19 10 13 311 9,14 hoog Venige beekdalgrond II 2 5 2 1 10 0,29 laag Vlakvaag-grond II-V 14 2 3 5 2 26 0,76 laag Vlakvaag-grond VI 11 1 2 2 3 1 20 0,59 laag Vlierveen-grond II-III 9 1 1 11 0,32 laag Vorstvaag-grond VII 35 10 22 31 15 3 6 122 3,59 middelhoog Water 6 3 1 2 1 13 0,38 laag Groeve 0 0,00 laag Moeras 0 0,00 laag Totaal 1145 266 348 342 953 209 140 3403 100,00 Tabel 2: Verdeling van SRE-vindplaatsen naar bodemkundige eenheid en tijdsperiode Het blijkt verder dat de grondwatertrap in Noord-Brabant een voorspellend karakter kan hebben voor het aantreffen van archeologische overblijfselen. In de regel worden de meeste archeologische vindplaatsen aangetroffen in gebieden met grondwatertrap VI of VII. Dit zijn de gronden die, vanuit landbouwtechnisch oogpunt, van nature de beste afwatering hebben. Maar ook in gebieden met grondwatertrap V worden vindplaatsen aangetroffen. Uit vergelijking van de ligging van de archeologische vindplaatsen in regio Zuidoost-Brabant met de begrenzing van de grondwatertrappen (GWT) blijkt dat de meeste vindplaatsen liggen in gebieden met een grondwatertrap van V of hoger. Op grond hiervan worden de bodemeenheden met grondwatertrap V of lager als 'nat' beschouwd en de bodemeenheden met grondwatertrap VI of hoger als 'droog' beschouwd. Bij de weging in het model is uitgegaan van een hoge trefkans bij grondwatertrap VI en hoger en een lagere trefkans bij een grondwatertrap van V en lager. 8.3 Beperkingen van de kaart De toepasbaarheid van het archeologische verwachtingsmodel kent enkele belangrijke beperkingen die voornamelijk hun oorzaak vinden in de beperkingen van het model: - Het verwachtingsmodel maakt gebruik van locatiekeuzefactoren die voornamelijk gebaseerd zijn op economische motieven. Het model doet dan ook geen uitspraken over archeologische resten die niet of slechts beperkt gebonden zijn aan bepaalde landschappelijke eenheden. Daarnaast is de ligging van lijnobjecten (zoals [pre-]historische wegen en greppelstructuren) slechts in geringe mate gekoppeld aan landschappelijke eenheden. - De kartografische basis voor de archeologische verwachtingenkaart wordt gevormd door - een digitale versie van - de geomorfologische en bodemkaart (Alterra 2003). De kaart heeft een schaal van 1:50.000. De schaal van een kaart en de daaraan gekoppelde boordichtheid spelen een belangrijke rol bij de weergave van een gebied. Hoe kleiner het schaalmodel van de kaart, hoe meer de grenzen worden geschematiseerd. Hierdoor treden onzuiverheden in de kaart op en worden bodemkundige eigenschappen van relatief kleine gebieden niet meer weergegeven. Door echter gebruik te maken van de geomorfologische kaart, historische kaarten en het Actueel Hoogbestand Nederland (AHN) is het hier gehanteerde verwachtingsmodel een stuk beter onderbouwd dan de CHW en IKAW, die voor Pleistoceen Nederland kartografisch alleen is gebaseerd op de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. - Het verwachtingsmodel is niet van toepassing op archeologische vindplaatsen uit het Midden Paleolithicum. Door geologische processen is het landschap met name in het Laat Paleolithicum aan voortdurende veranderingen onderhevig geweest. Uit het huidige landschap kan hierdoor niet of slechts ten dele worden herleid wat gunstige bewoningslocaties waren in het Midden Paleolithicum. - Vanwege het ontbreken van gedetailleerde (gedigitaliseerde) informatie over de archeologische verwachting van gebieden buiten de gemeentegrenzen, is in het verwachtingsmodel geen informatie van aangrenzende gemeenten verwerkt. Vooral bij de grenzen van het gebied kan dit vertekening opleveren. Uitzondering hierop vormt de gemeente Geldrop-Mierlo, waar momenteel vanuit de SRE ook een archeologische verwachtingen- en waardenkaart wordt opgesteld. Deze kaart is gebaseerd op hetzelfde verwachtingsmodel en opgesteld volgens de dezelfde werkwijze. Verder is overleg gevoerd met de gemeente Eindhoven en Helmond over het afstemmen van de archeologische kaarten. Hier ontbreekt voorzover bekend is, een gedetailleerd verwachtingsmodel en wordt uitgegaan van een hoge archeologische verwachting voor de hoge dekzandruggen met esdekkken en de bekende archeologische vindplaatsen. 8.4 (Sub)recente bodemverstoringen Archeologische resten zijn zeer kwetsbaar voor allerlei ingrepen in de bodem. Bedreigend zijn graafwerkzaamheden in het kader van bijvoorbeeld bouw- en/of sloopactiviteiten, de aanleg van wegen en leidingen, natuurontwikkeling (bijvoorbeeld de aanleg van vijvers, poelen, natte oeverzones en beeklopen), agrarische grondbewerking (diepploegen, mengwoelen en/of frezen), egaliseren, de aanleg en het kappen van bos, ontgronden, de aanleg van drainage en het dempen en graven van sloten en greppels. Verlaging van het grondwaterpeil kan leiden tot het verdwijnen van organische archeologische resten die voorheen onder de grondwaterspiegel lagen. De verstoring van archeologische waarden komt in veel gevallen neer op het verdwijnen van grondsporen, verplaatsing van archeologisch materiaal en verstoring van de ruimtelijke context. Aangezien het grootste deel van de gemeente een agrarisch gebruik heeft, of heeft gehad, zijn de meeste archeologische vindplaatsen (voor een deel) verstoord. De verstoringsdiepte is gelijk aan de dikte van de bouwvoor, circa 30 cm. Voor vindplaatsen van jager-verzamelaars, die vooral bestaan uit vuursteenstrooiingen, betekent dit dat door de aanleg van een bouwvoor een groot deel van de informatiewaarde verloren gaat. De informatiewaarde van vindplaatsen van landbouwende gemeenschappen bevindt zich voor een groot deel in grondsporen. Aangezien deze grondsporen dieper reiken dan de bouwvoor, bevatten niet afgedekte vindplaatsen van landbouwende gemeenschappen toch nog een groot deel van de informatiewaarde. In gebieden waar de bodemverstoring dieper is dan de bouwvoor, en waar vindplaatsen niet zijn afgedekt door een esdek, stuifzand of beekafzettingen, is ook de informatiewaarde van vindplaatsen van landbouwende gemeenschappen voor een groot deel verdwenen. In de gemeente Nuenen zijn reeds grote delen van de oude akkers afgegraven. Hier zijn in het verleden op diverse plaatsen ook bewoningssporen uit de Romeinse tijd of uit de Middeleeuwen aan het licht gekomen. Binnen de gemeente Nuenen liggen dan ook een aantal gebieden waarover uitspraken ten aanzien van de intactheid van de bodem gedaan kunnen worden. Dit zijn gebieden waar in het verleden bodemingrepen hebben plaatsgevonden die naar verwachting eventueel aanwezige archeologische resten ernstig verstoord zullen hebben. Hierdoor hebben deze gebieden een lage of zelfs geen archeologische verwachting. Tot deze gebieden behoren de geëgaliseerde en vergraven gebieden en ontgronde gebieden. De desbetreffende gebieden zijn op de archeologische basiskaart (kaartbijlage 5) aangeduid. Op de bodemkaart (Alterra 2004) zijn de gebieden aangegeven die vergraven en geëgaliseerd zijn. De vergraven gebieden zijn tot 40 à 60 cm diepte gespit om de verkitte B-horizont los te werken. Bij het egaliseren werd over het algemeen de humushoudende bovengrond in depot gereden, waarna de ondergrond werd geëgaliseerd of doorgespit. Zowel het vergraven als het egaliseren heeft ernstige gevolgen gehad voor het aanwezige bodemarchief. Ter controle zijn de vergraven en geëgaliseerde gebieden vergeleken met het Actueel Hoogte Bestand Nederland (AHN). Uit deze vergelijking bleek dat enkele 'geëgaliseerde gebieden' nog verrassend veel reliëf hebben. Deze gebieden zijn uiteindelijk niet als geëgaliseerd weergegeven. Door ontgronding kunnen belangrijke delen van het bodemarchief aangetast zijn of zelfs verdwenen zijn. Daarom is getracht om op basis van de beschikbare informatie te achterhalen waar en in welke mate ontgrondingen in het de gemeente Nuenen hebben gevonden. Deze ontgrondinginformatie is vooral afkomstig uit het provinciaal ontgrondingsregister, waar gegevens over ontgrondingvergunningen van 1958 tot en met 1998 zijn bewaard. Volgens de provinciale ontgrondingenkaart zijn grote delen van de dekzandruggen en dekzandvlakten ten zuidwesten, zuiden en zuidoosten van Nuenen inmiddels ontgrond. Dat geldt ook voor dekzanden ten oosten en noorden van Gerwen. De desbetreffende gebieden zijn op de archeologische basiskaart en de archeologische verwachtingen- en waardenkaart (kaartbijlage 5 en 6) aangeduid. In welke mate bovenstaande activiteiten het bodemarchief aangetast hebben, valt niet altijd te achterhalen. De diepte van de ontgronding en of deze ook daadwerkelijk is uitgevoerd, ontbreekt namelijk in het register, waardoor deze gebieden voor archeologie niet kunnen worden afgeschreven. De vergunningvoorschriften van met name de oudere vergunningen bepaalde veelal slechts de fasering, de aansluiting van het te ontgronden perceel op de omliggende percelen en de uiteindelijk te realiseren maaiveldhoogte. De locaties van ontgrondingen lijken wel voor een groot deel overeen te stemmen met het Actueel Hoogtebestand van Nuenen, dat ter controle digitaal is geraadpleegd. Op plekken waar ontgrondingen hebben plaatsgevonden, is vaak een abrupte overgang zichtbaar van een natuurlijk reliëf naar een nagenoeg vlak terrein. Deze gebieden zijn apart aangegeven op de beleidskaart (kaartbijlage 7). Als gevolg van de ontgronding worden in deze gebieden geen archeologische resten meer verwacht. Voor de overige gebieden is de archeologische verwachting niet gewijzigd, maar wordt aanbevolen om door middel van controleboringen de bodemverstoring in kaart te brengen. In deze verdachte percelen zijn voor het opstellen van deze archeologische kaarten verder geen controleboringen uitgevoerd. De gemeente kiest ervoor om deze controle pas bij een mogelijke planontwikkeling uit te (laten) voeren. De mogelijk ook ontgronde en daarmee verstoorde terreinen zijn daarom als gearceerde gebieden opgenomen op de beleidskaart. Verkennende grondboringen zullen de daadwerkelijke verstoring al dan niet moeten bevestigen. Voor deze terreinen geldt steeds de onderliggende lage, middelhoge of hoge verwachting. Datzelfde geldt voor terreinen die geregistreerd staan als gesaneerd. In het verleden zijn op het grondgebied van de gemeente Nuenen verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Dit kunnen oppervlaktekarteringen, booronderzoeken, proefsleuven onderzoeken en opgravingen zijn. Vanaf november 2005 geldt de verplichting om elk archeologisch onderzoek voorafgaand aan het veldwerk aan te melden bij de RACM. Deze zogenaamde onderzoeksmeldingen staan geregistreerd in ARCHIS. Een onderzoeksmelding bestaat uit een vlak en een aantal gegevens omtrent het onderzoek. De belangrijkste gegevens betreffen het onderzoeksmeldingsnummer, de centrumcoördinaten, locatie gegevens, datum aanvang, type onderzoek, motief, uitvoerder, projectleider en opdrachtgever. Voor november 2005 gold alleen voor opgravingen een meldingsplicht. De lijst met onderzoeksmeldingen in ARCHIS is dus incompleet; de (meeste) booronderzoeken die voor november 2005 zijn uitgevoerd zijn namelijk nergens geregistreerd. De onderzoeksmeldingen uit ARCHIS (peildatum 1-12-2008) zijn weergegeven op de archeologische basiskaart en in de vindplaatsencatalogus (kaartbijlage 5 en bijlage 3). De resultaten van reeds uitgevoerde onderzoeken zijn doorvertaald naar de verwachtingswaarde. Gebieden die zijn vrijgegeven en inmiddels zijn volgebouwd, zijn op de beleidskaart aangeduid als gebieden zonder archeologische verwachting. Ook de terreinen die zijn opgegraven zijn aangeduid als terrein zonder archeologische verwachting. Deze doorvertaling heeft plaatsgevonden op grond van de onderzoeksrapporten. De onderzoeksrapporten die zijn geraadpleegd zijn weergegeven in de literatuurlijst. Op de archeologische beleidskaart worden de daadwerkelijk vastgestelde ontgrondingen en verstoringen weergegeven als gebieden zonder archeologische verwachting. Onder deze verstoorde gebieden vallen: de geëgaliseerde en afgegraven terreinen zoals deze staan aangegeven op de geomorfologische en bodemkundige kaarten en middels boorkarteringen zijn vastgesteld; de na 1980 gebouwde woningen (bron: WOZ-bestand 2007 gemeente Nuenen). Bij de huizenbouw vanaf 1980 gaan we ervan uit dat er standaard tot in het gele zand of de vaste bodem werd uitgegraven, waardoor mogelijk archeologische sporen hier als verloren beschouwd mogen worden. de door middel van archeologisch (voor)onderzoek vastgestelde verstoorde en daarmee uitgeselecteerde gebieden; de zichtbaar ontgronde en verstoorde gebieden zoals waterplassen, kanalen en percelen met diepe steilranden (bron: www.ahn.nl). 8.5 Conclusie Ten behoeve van de archeologische beleidskaart voor Nuenen is een vertaling gemaakt van landschappelijke, bodemkundige, historische en archeologische informatie naar een vlakdekkende kaart van archeologische waarden en verwachtingen. Op basis van het ontwikkelde verwachtingsmodel en op grond van de verwachte dichtheid aan archeologische sporen en vondsten worden binnen het grondgebied van de gemeente Nuenen zes soorten archeologische verwachtingen of waarden aan terreinen toegekend: Zonder archeologische verwachting: terreinen waarvan is vastgesteld dat de archeologie verdwenen is door ontgronding, nieuwbouw, booronderzoek, opgravingen of diepe grondbewerking. Lage archeologische verwachting: binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter: op basis van de geomorfologie, grondwatertrap en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, beekeerd, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, visgronden, e.d.) zijn dergelijke arealen moeilijk archeologisch te onderzoeken. Middelhoge archeologische verwachting: deze categorie is ingevoerd omdat de gebruikte bodem- en geomorfologische kaarteenheden zonder nader veldonderzoek niet eenduidig aan één van de andere categorieën toegewezen kunnen worden. Het zijn vooral de lager gelegen dekzanden met lage enkeerdgronden en de drogere minder vruchtbare podzolbodems. Binnen deze zones kunnen terreinen liggen waar door erosie of uitloging alle archeologische waarden verdwenen zijn, naast terreinen waar door afdekking met plaggen eventueel aanwezige archeologische waarden juist zeer goed geconserveerd zijn. Hoge archeologische verwachting: hieronder vallen die delen van de gemeente waar op basis van de in het model gebruikte aantallen met grote waarschijnlijkheid archeologische resten verwacht kunnen worden. Het grootste deel van alle bekende archeologische waarnemingen stamt uit deze zones. Gebieden van archeologische waarde: hieronder vallen die delen van de gemeente waar op basis van óf archeologisch onderzoek, óf de bekende archeologische waarnemingen en/of de bekende historische gegevens van het terrein (vrijwel) vaststaat dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. Beschermde archeologische monumenten: hieronder vallen alle terreinen die op basis van de Monumentenwet 1988 beschermd zijn. Dat zijn voor de gemeenten drie terreinen in het zuidoosten nabij Gulbergen, allen toebehorend aan een uitgestrekt terrein van grafheuvels met een urnenveld. Op de archeologische beleidskaart zijn verder locaties weergegeven die mogelijk verstoord zouden zijn. Aangezien per locatie het niet geheel duidelijk is wat de aard en omvang van de verstoringen zijn, kunnen deze niet zondermeer gevrijwaard worden van archeologisch onderzoek. De specifieke kenmerken van deze verstoringen moeten indien er sprake is van bodemingrepen, gecontroleerd worden zodat het advies aangepast kan worden. In deel III, de beleidsuitvoering, wordt nader ingegaan op de beleidsvertaling die aan deze zes categorieën verwachtingen en waarden gegeven moeten worden.

Rechtspraak bij dit artikel