Naar hoofdinhoud

Artikel Wijze van opnemen van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen

Artikel Wijze van opnemen van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

De gemeente streeft ernaar om in haar archeologisch monumentenzorgbeleid, en de vertaling daarvan in het ruimtelijke beleid, zoveel mogelijk aan te sluiten bij het vastgestelde Rijks- en Provinciale beleid. Het Rijk heeft vooral een rol als het gaat om de aanwijzing en bescherming van de Rijksmonumenten. De verdere ambities van het Rijk met betrekking tot het gemeentelijke bodemarchief zullen naar verwachting verwoordt worden in de aangekondigde selectienota van de Staatssecretaris voor Cultuur en Wetenschappen, die in 2008 wordt verwacht, en het beleidsplan van de nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). De provinciale ambities met betrekking tot het archeologisch monumentenzorgbeleid zijn opgenomen in het Streekplan 2002. In het Streekplan is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgenomen, waarin zijn opgenomen de archeologische monumenten en verwachtingswaarden. Naast het streven naar verantwoord behoud en beheer van de bestaande monumenten en terreinen van archeologische waarden, heeft de provincie in de CHW een aantal regionale archeologische aandachts- en uitwerkingsthema ’s opgenomen. De provincie zal hiervoor in de komende jaren een actiever stimuleringsbeleid en toezichtregime gaan hanteren, gericht op het maximaal benutten van kansen om dit onderdeel van archeologisch bodemarchief beter te beheren en beleefbaar te maken. Veel gemeenten werken met verouderde bestemmingsplannen. Daardoor kunnen er nog jarenlang bodemverstorende activiteiten plaatsvinden zonder dat met het archeologisch belang rekening wordt gehouden. Met de invoering van de nieuwe Wro krijgen provincies instrumenten om de actualiteit van bestemmingsplannen te verhogen en zonodig af te dwingen via sanctie. 11.1 Planologische bescherming In de nieuwe wetgeving zal archeologie meer dan voorheen ingebed moeten worden in het proces van de ruimtelijke ordening. Bij het bereiken van dit doel vormen structuurvisies en vooral het bestemmingsplan inclusief het daaraan verbonden bouw-, sloop- en aanlegvergunningenstelsel de belangrijkste instrumenten bij het behoud en beheer van het archeologisch erfgoed. Tot de bestemmingen die binnen een bestemmingsplan aan een gebied kunnen worden toegekend kan een bestemming als ‘archeologische waarde’ behoren. Deze bestemming zal meestal als dubbelbestemming worden toegekend. Dit houdt in dat als zodanig aangemerkte gebieden bestemd zijn voor behoud, versterking en herstel van de aan het gebied eigen zijnde archeologische waarden. Met nadruk zij vermeld dat het hier óók gaat om behoud van de naar verwachting aan te treffen archeologische waarden. Dit zijn dus waarden die nu nog niet bekend zijn en/of beschermd zijn als gevolg van de Monumentenwet. Aan een gebied met een archeologische bestemming kunnen ook nog andere bestemmingen worden toegekend (dubbelbestemming). Het doel van de toegekende archeologische bestemming is namelijk niet het onmogelijk maken van de ontwikkeling van het gebied, maar het weren van activiteiten die een aantasting kunnen veroorzaken van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Indien een voorgenomen ontwikkeling geen bedreiging voor het bodemarchief vormt, dan moet deze doorgang kunnen vinden. Voor de gemeente Nuenen is per aangegeven archeologische bestemming een bescherming op maat gemaakt. Zo is een verschil gemaakt op basis van het gegeven of een locatie in een opgehoogd agrarisch buitengebied is gelegen of op een locaties met bekende, aanwezige archeologische waarden. Ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden zullen er voorschriften gekoppeld worden aan de verschillende archeologische bestemmingen. Er kunnen bijvoorbeeld beperkingen gesteld worden aan het gebruik van het land of bouwvoorschriften worden opgenomen die aangeven aan welke beperkingen bouwactiviteiten eventueel onderhevig zijn, zoals geen bebouwing realiseren buiten de al bestaande bouwblokken. Vrijstelling wordt verleend als gebleken is dat de bouwactiviteiten of werkzaamheden, waarvoor ontheffing wordt aangevraagd, niet zullen leiden tot een verstoring van aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Ook kan gedacht worden aan vrijstelling als de omvang van het bouwwerk waarvoor de ontheffing aangevraagd wordt niet groter is dan een vastgesteld aantal vierkante meters of als de voorgenomen verstoring als gevolg van de aanleg van een bouwwerk niet dieper reikt dan een bepaalde diepte. Vrijstellingen zijn dus gebonden aan de omvang, diepe en locatie van de beoogde bodemingrepen. In de voorschriften ten behoeve van het verkrijgen van een aanlegvergunning voor niet vrijgestelde activiteiten zal bepaald worden dat de aanvrager van de vergunning minimaal een rapport dient te overleggen, waarin de aard, omvang, diepteligging en datering van de eventueel aanwezige archeologische waarden is vastgesteld. Dat rapport dient ook een antwoord te geven op de vraag in hoeverre eventueel aanwezige archeologische waarden door de voorgenomen ontwikkeling bedreigd worden. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek en de waarde die aan de vindplaats gehecht wordt, kan vervolgens planinpassing of het behoud van de aanwezige archeologische waarden ex situ geëist worden. Bij de formulering van de onderstaande voorstellen voor een indeling in zes archeologische voorschriftcategorieën te gebruiken in bestemmingsplannen en vergunningenprocedures, is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid. Ondanks de toegenomen aandacht voor archeologie en cultuurhistorie is het een illusie te trachten elk overblijfsel uit het verleden te onderzoeken of te beschermen. De voorgestelde voorschriften zijn daarbij zoveel mogelijk proportioneel afgestemd op de omvang van de eventuele ingreep, in combinatie met de kans dat daarbij belangwekkende en informatieve overblijfselen zullen worden aangetroffen. In deze waardevolle archeologische gebieden zal, in lijn met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg, van toekomstige initiatiefnemers een (financiële) inspanning gevraagd worden kunnen om resten uit het verleden veilig te stellen. 11.2 Bestemmingsplan categorieën In het bestemmingsplan zal, conform de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg, een regeling voor de omgang met archeologische waarden worden opgenomen. In het vigerende bestemmingsplan buitengebied is al een aantal voorschriften ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen opgenomen. Op basis van de archeologische beleidskaart, word de gemeente onderverdeeld in verschillende categorieën met daaraan gekoppelde voorschriften. De volgende 6 categorieën worden onderscheiden. Categorie 1 wordt beschermd door de voorschriften uit de Monumentenwet. De bescherming van de overige 5 categorieën wordt geregeld met behulp van voorschriften in de erfgoedverordening of in het bestemmingsplan: Categorie 1: Beschermd archeologisch monument. Archeologische resten die vanuit nationaal oogpunt behouden dienen te blijven en derhalve als monument beschermd zijn ingevolge art. 3 van de Monumentenwet of waar deze wordt voorbereid. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodemverstorende activiteiten, tenzij de Minister van OCW hiervoor vooraf vergunning verleent. Op grond van de gemeentelijke Monumentenverordening bestaat de mogelijkheid hieraan ook gemeentelijke monumenten toe te voegen en daar een vergelijkbaar beschermingsregime aan te verbinden. Categorie 2: Gebied van archeologische waarde, inclusief historische kern. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij de vorige categorie en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² en dieper gaan dan 0,3 m –mv. Categorie 3: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m (0,5 m bij esdek) –mv. Categorie 4: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 2.500 m² en dieper gaan dan 0,3 m (0,5 m bij esdek) –mv. Categorie 5: Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten uiterst klein wordt geacht. Op deze terreinen rust geen voorschrift om aanlegvergunning. Wel zal bij m.e.r. plichtige en grootschalige inrichtingsprojecten vanaf 10.000 m² en projecten die onder de tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Deze situaties vallen onder het regime van de Wet Milieubeheer en de Tracéwet. Categorie 6: Gebied zonder archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Tenslotte vallen hieronder ook de zogenaamde gedeselecteerde gebieden (op basis van archeologisch onderzoek vrijgegeven gebieden). Op deze terreinen rusten in principe geen beperkingen. Wel zal bij m.e.r. plichtige inrichtingsprojecten en projecten die onder de tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Deze situaties vallen onder het regime van de Wet Milieubeheer en de Tracéwet. Het projectgebied betreft het totale gebied waar een (nieuwe) bestemming wordt opgelegd. Omdat het verdrag van Malta van het principe bescherming in situ uitgaat is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw-, sloop- of aanlegvergunning wordt alleen het oppervlak van het projectgebied betrokken wat daadwerkelijk verstoord gaat worden. De uitwerking van de verschillende categorieën in voorschriften met toelichting voor het bestemmingsplan zijn weergegeven in bijlage 2. De voorschriften voor categorie 3 en 4 zijn in feite identiek alleen dient daar steeds een groter gebied als minimum te worden opgenomen om buiten de vrijstelling te vallen. 11.3 Implementatie archeologie in bestemmingsplannen in Nuenen Een methode om het beleid in één keer te implementeren is in theorie het opstellen van facetbestemmingsplan. Een facetbestemmingsplan kan van toepassing worden verklaard op bestaande vigerende bestemmingsplannen. Hierdoor zullen de in procedure zijnde plannen, die niet meer kunnen worden aangepast aan het archeologiebeleid, niet worden meegenomen. Indien het beleid voor langere tijd geïmplementeerd moet worden met een facetbestemmingsplan, moet er een moment zijn waarop er geen (grote) bestemmingsplannen in procedure zijn. Dit moment is niet te verwachten voor 1 juli 2009. Een dergelijk facetplan moet echter voor 1 juli 2009 in ontwerp ter visie hebben gelegen, daar het instrument facetbestemmingsplan na 1 juli 2009 vervalt. Met een facetbestemmingsplan kan dan ook maar een beperkt effect bereikt worden. De gemeente Nuenen kiest er dan ook voor om het archeologiebeleid gefaseerd via de reguliere herzieningen/actualisering van bestemmingsplannen te implementeren. Het archeologiebeleid zal echter wel worden gebruikt als afwegingskader voor ontheffingen, projectbesluiten etc. Hierdoor zullen gedurende een aantal jaren niet alle bestemmingsplannen gebaseerd zijn op het actuele beleid. Om een beeld te krijgen van de actuele stand van zaken met betrekking tot archeologie in de geldende bestemmingsplannen, zijn de grootste bestemmingsplannen van de gemeente Nuenen nagelopen en is gekeken wat in welk plan precies is opgenomen aan voorschriften en toelichting. Daarmee wordt een beeld verkregen van de huidige stand van zaken en het verloop van de implementatie van het voorgestelde archeologiebeleid voor bestemmingsplannen. In twee van de vier gecontroleerde bestemmingsplannen is archeologie opgenomen op de plankaart, toelichting en voorschriften. Voor gebieden met een hoge en middelhoge verwachting, zoals deze zijn weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart, wordt uitgegaan van de landelijk voorgeschreven plangrens van 100 m² en 30 cm onder maaiveld. Doordat de implementatie van het voorgestelde soepelere beleid zal worden uitgestreken over de komende tien jaar, betekent dit voor de gemeente Nuenen voorlopig: Veel (mogelijk deels zinloos) archeologisch onderzoek bij de aanvraag van aanleg-, sloop- en bouwvergunningen bij ingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm. Door het gebruik van de grofmazige Cultuurhistorische waardenkaart is er een verhoogd risico voor gemeente bij onverwachte vondsten in gebieden waar geen archeologisch onderzoek verplicht is. De gemeente zal per bestemmingsplan moeten kijken hoe archeologie is opgenomen en welke eisen er dus gesteld worden aan wel of geen archeologisch onderzoek. Daar waar archeologische bepalingen in de bestemmingsplannen ontbreken, gelden de voorschriften die in de erfgoedverordening zijn opgenomen ten aanzien van archeologie. Het archeologiebeleid zal als afwegingskader worden gebruikt voor ontheffingen, projectbesluiten etc.

Rechtspraak bij dit artikel