Naar hoofdinhoud

Artikel Karakteristiek van het gemeentelijke bodemarchief

Artikel Karakteristiek van het gemeentelijke bodemarchief

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

7.1 Beschrijving van het (historisch) landschap 7.1.1 Ontstaanswijze van de bodem Het grondgebied van Nuenen is gelegen in de Centrale Slenk, een lager gelegen zuidoost noordwest lopend gebied dat ten oosten begrensd wordt door de Peelrandbreuk van de hoger gelegen Horst. Ongeveer 300.000 jaar geleden is het gebied van de Centrale Slenk buiten de invloedsfeer van de grote rivieren geraakt. Deze rivieren hadden voordien grof en grindhoudend zand afgezet, waarna de Centrale Slenk geleidelijk opgevuld werd met afzettingen van lokale oorsprong. Deze opvulling gebeurde vooral tijdens de glacialen (ijstijden), zodat de afzettingen uit de interglacialen (warme perioden) een ondergeschikte rol speelden. De afzettingen vonden plaats door de wind en door smeltwater in een landschap met een zeer spaarzame begroeiing (toendra). Deze afzettingen hebben de naam “Formatie van Boxtel” meegekregen. Binnen deze formatie zijn voor Nuenen drie typen afzettingen te onderscheiden, nl. Brabantse leem, smeltwaterafzettingen en windafzettingen. Voor de Brabantse leem wordt aangenomen dat deze tot afzetting door middel van smeltwater kwam tijdens de koudste perioden van de ijstijden, toen de bodem permanent bevroren was (permafrost). De daarbij vooral in de zomer vrijkomende grote hoeveelheden smeltwater werden vermoedelijk afgevoerd door een stelsel van ondiepe geulen en beken. De matig fijne zanden die door de wind als afdekkende laag van het pleistocene landoppervlak zijn afgezet in de jongste ijstijd, worden dekzand genoemd. Doordat de vegetatie in deze tijd uit kruiden bestond, ontstond er een zwak glooiend landschap. De vrij lage begroeiing kon namelijk maar een relatief dunne laag zand vasthouden. Toen rond 10.000 v.Chr. de definitieve klimaatverbetering inzette, werd het water niet meer door een stelsel ondiepe geulen en beken afgevoerd, maar ontstonden de huidige riviertjes, beken en lopen. Doordat deze in het begin nog van tijd tot tijd droogvielen en er in deze drooggevallen dalen geen planten groeiden die het zand vasthielden, kon de wind vat op dit zand krijgen. Zo ontstonden, bijvoorbeeld aan de oostzijde van de Dommel, plaatselijk zandophopingen. Hier kon namelijk het uit het dal gewaaide zand weer door planten worden vastgehouden. In de beekdalen en aansluitende lage terreinen werd bij hoge grondwaterstand beekzand en leem afgezet, terwijl in deze dalen door plantengroei tevens veenvorming plaatsvond. Als gevolg van ontbossing en ontginning door de mens kwam in historische tijden opnieuw de zandverstuiving op gang. De vorming van de stuifzanden is voor een groot deel terug te voeren op de steeds verdergaande ontbossing ten behoeve van de landbouw, die zich na de Middeleeuwen sterk ontwikkeld heeft. Door deze ontbossing ontstonden op de droge, hoger gelegen gronden uitgestrekte heidevelden. Bij de opkomst van het zogenaamde “ potstalsysteem” werden op grote schaal heideplaggen voor veestrooisel gestoken. Door het verwijderen van de heide, konden deze planten het onderliggende zand niet meer vasthouden en ontstonden opnieuw zandverstuivingen. Tegen het einde van de 19e eeuw en in het begin van de vorige eeuw werden de verstuivingen grotendeels tot staan gebracht middels grootschalige herbebossing. De natuurlijke ondergrond wordt in grote delen van de gemeente Nuenen geaccentueerd door de aanwezigheid van plaggendekken, de zogenaamde enkeerd- of esdekgronden. Deze gronden liggen meestal als relatief hoge, langgerekte ruggen in het landschap in de nabijheid van de oude bewoningskernen en op de overgang van hoog naar laag (nat naar droog). Ze zijn het resultaat van een eeuwenlange plaggenbemesting van akkers op de voedingsarme hogere dekzandgronden waardoor deze kunstmatig zijn opgehoogd. In tegenstelling tot het huidige wisselende grondgebruik in de landbouw werd het gebruik van akkers en weilanden in de Middeleeuwen niet afgewisseld. Materiaal uit de potstal, bestaande uit een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel en heideplaggen, werd eeuwenlang over de akkers uitgestrooid. Door het geaccidenteerde uiterlijk worden ze aangeduid als hoge of bolle akkers. Door een geleidelijke ophoging van de (post)middeleeuwse akkergronden worden archeologische resten beschermd tegen moderne landbouwmachines die met een gemiddelde ploegdiepte van 40 cm niet tot in het sporenniveau doordringen. Doordat de hogere dekzandruggen in Brons-, IJzer- en Romeinse tijd en waarschijnlijk ook nog in vroege en volle Middeleeuwen een aantrekkelijke bewoningslocatie vormden, hebben esdekgebieden een hoge archeologische verwachting. Opgravingen in esdekgebieden hebben het afgelopen decennium aangetoond dat deze op verscheidene locaties uitgestrekte prehistorische landschappen afdekken. 7.1.2 Het huidige landschap Het gebied van de gemeente Nuenen maakt deel uit van het zogenaamde “dekzandlandschap”, zoals dit in grote delen van Brabant en Noord-Limburg wordt aangetroffen. Typerend voor dit landschap is zijn zwak glooiend oppervlak, dat wordt gevormd door de min of meer in ruggen afgezette dekzanden. Dit landschap daalt geleidelijk van ruim 20 meter +NAP in het zuiden van de gemeente bij de brug over het Eindhovens Kanaal naar minder dan 13 m +NAP bij Heerendonk. Binnen dit dekzandgebied kan men gebieden onderscheiden die hoger liggen dan hun omgeving. Voorbeelden hiervan zijn de Refelingse Heide, de Papenvoortsche Heide en de hoge rug ten oosten van de Dommel tussen Nederwetten en Soeterbeek. Het gebied binnen de lijn Boord-Nuenen-Beekstraat-Gerwen-Rullen-Heerendonk-Boord ligt echter lager dan zijn omgeving. In een deel van dit gebied wordt op geringe diepte Brabantse leem aangetroffen, waardoor het gebied gemiddeld een hoge grondwaterstand heeft, wat weer bepalend is geweest voor het bodemgebruik. Het meest westelijke deel van de gemeente bestaat uit de dalen van de Kleine Dommel en de Dommel, waarvan het maaiveld varieert van ruim 16 m +NAP in het zuiden tot 12,5 m +NAP in het noorden bij Hooidonk. De ontstaanswijze van de ondergrond samen met het verschil in hoogte heeft geleid tot verschil in bodemgebruik, waardoor een gevarieerd landschap is ontstaan. Stuifzandcomplexen worden binnen de gemeente aangetroffen op de relatief hooggelegen Collsche Heide, de Refelingsche Heide, de Papenvoortsche Heide en de Gerwensche Heide. De beemden worden aangetroffen in de dalen van de Kleine Dommel, de Dommel en de zijbeken; gedeeltelijk zijn deze beemden nog moerassig. Ze worden overwegend gebruikt voor gras- en hooiland. In de beemden komen vooral smalle kleine percelen voor met op de scheiding veelal wilg en els. Vroeger werden deze beemden jaarlijks overstroomd door de Dommel en de Kleine Dommel. Hierbij speelde ook de opstuwing van het water door de stuwen bij de watermolens een duidelijke rol. Nuenen zelf is ontstaan uit verschillende (laat-)middeleeuwse gehuchten, en op een strategische locatie, namelijk rond het snijpunt van verschillende doorgaande routes. Deze ligging verklaart de regionale handelsfunctie van de nederzetting. Het patroon van historische wegen is nog goed bewaard gebleven en structureert tot op de dag van vandaag de bebouwde kom. De ontstaansgeschiedenis van Nuenen is vooral goed herkenbaar in het noordelijke gedeelte van de bebouwing (rond de oude kern), dat op de cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant is aangegeven als een historisch-stedebouwkundige structuur met een hoge waarde. De belangrijkste gehuchten waren Heieind (nu Park) en Berg, elk met een eigen plein. Rond de pleinen en in de zone daartussen is (van oudsher) sprake van een dichte bebouwing, daarbuiten van bebouwing met een verspreid karakter. Het noordelijke plein (Berg) is een goed voorbeeld van een verstedelijkt akkerdorp. De historische bebouwing rond dit kleine pleintje bestaat vooral uit woonhuizen. Dit plein maakt ook deel uit van een molenbiotoop. Iets ten noorden van het pleintje staat namelijk molen De Roosdonk (1883). Tevens vinden we hier een historische linnenweverij (Begemann) uit het vierde kwart van de 19de eeuw. Vanuit het noordelijke plein richting Nederwetten loopt een oud wegtracé met historische groenstructuur. Direct ten zuiden hiervan ligt het Nuenens Broek. Het zuidelijke plein (Park) is groter en jonger, en laat bovendien een afwijkende ontwikkeling zien. Het plein werd in 1920 ingericht als landschapspark in de Engelse landschapsstijl, voorzien van een kiosk. Daarbij werd de drenkplaats voor het vee heringericht als parkvijver. Aan de oostzijde van het plein is sprake van een horeca- en detailhandelfunctie. Aan de westzijde staan huizen uit de periode 1825-1925 (met nokrichting parallel aan de straat) en een klooster. Enkele honderden meters ten westen van de oude kern van Nuenen, in de richting van het Dommeldal, verraadt het nederzettingspatroon weer een andere historische ontwikkeling. Het agrarische karakter is hier het belangrijkst gebleven. Van Nederwetten in zuidelijke richting –naar Landgoed Soeterbeek- treffen we lintvormige bebouwing aan met een agrarische functie. De bebouwing bestaat hier vooral uit langgevelboerderijen uit de periode tussen 1850 en 1900, en enkele woonhuizen. De bewoning gaat hier echter veel verder terug. De boerderijen en huizen staan langs de Soeterbeekse weg, die een noord-zuid-georiënteerde dekzandrug volgt. Dit is een kasseienweg met delen van historische laanbeplanting (eik, esdoorn en beuk). Mogelijk gaat de ouderdom van de weg terug op een doorgaande route met een hoge ouderdom, die de hoogste punten van de oostrand van het Dommeldal met elkaar verbond. De dekzandrug ligt parallel aan het Dommeldal en wordt in het westen over een langgerekte strook vergezeld door een groot aantal archeologische complexen, daterend uit de ijzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Bewoningscontinuïteit is hier niet uitgesloten. Langs de flanken van de rug liggen daarnaast de overblijfselen van nog oudere (tijdelijke) nederzettingen uit het Meso- en Neolithicum. Opvallend aan de lintvormige bebouwing is vooral de intacte relatie met het aangrenzende cultuurlandschap. Aan weerszijden treffen we oude akkercomplexen met bolle akkers aan. In het westen sluit het nederzettingscomplex aan op het Dommeldal, een landschap dat wordt door beemden en broeklanden, met plaatselijk hakhoutbosjes (es en els) en broekbossen (populieren). Bijzonder is de perceelsrandbegroeiing van knotwilgen. Wel heeft in dit deel van het Dommeldal in de twintigste eeuw kavelvergroting plaatsgevonden en is de perceelsrandbegroeiing op veel plaatsen gerooid. Het landschap heeft daardoor een veel opener karakter dan in de negentiende eeuw. Enkele wegen en paden zijn haaks op de Dommel georiënteerd. Het gaat hier voor een deel om historische veedriften. Het Nuenens Broek, gelegen ten oosten van de lintbebouwing, bestaat nu voornamelijk uit een populierenbos met veel oud hakhout. Dit bos is grotendeels ontstaan tussen 1850 en 1904, maar een deel ervan dateert uit de periode voor 1850. Het bos was o.a. in gebruik als geriefbos. Het gebied ten noorden en westen van Nuenen wordt nog steeds bepaald door een nederzettingspatroon met kleine dorpen (Nederwetten en Gerwen) en gehuchten (Heerendonk, Spekt, Stad van Gerwen, Nieuwe Dijk en Rullen), die ontstaan zijn uit Laatmiddeleeuwse hoeven. Al deze nederzettingen bezitten historisch-bouwkundige waarden die bijzonder zijn voor Peelland. In Gerwen bijvoorbeeld wordt het dorpsbeeld mede bepaald door een schoolgebouw (St. Clemens) in de stijl van de Amsterdamse School (ca. 1929), een villa in `expressionistische’ stijl (ca. 1920) en de oude St.-Clemenskerk (1618). In het beekdal van de Kleine Dommel of Rul vinden we o.a. de Hooidonkse watermolen, de Opwettense watermolen (1306) en de Collsche watermolen (met molenaarshuis; vroegste vermelding 1335), in het laatste geval met kleinschalige verkavelingsstructuur met perceelsrandbegroeiing en de Collsche Zeggen (een broek- en moerasbos) in de directe omgeving. Nabij het beekdal staat het landhuis Soeterbeek (in de Late Middeleeuwen het eerste klooster Soeterbeek). Aan het einde van de 19e eeuw en vooral in de eerste helft van de vorige eeuw is ten oosten van de lijn Nuenen-Eeneind/Hulsterbrug en langs de zuidoost en oostgrens van de gemeente het heideontginningslandschap ontstaan. Dit landschap wordt gekenmerkt door een regelmatige en grootschalige verkaveling. Plaatselijk heeft in dit landschap herbebossing met naaldhout plaatsgevonden zoals op de Collsche-, Refelingsche- en Papenvoortsche Heide. 7.2 Beschrijving van de bewoningsgeschiedenis Geordend naar archeologische periode geven we een kort overzicht van de dichtheid en variëteit in archeologisch belangwekkende vindplaatsen en bijzondere vondstgroepen in de gemeente Nuenen. 7.2.1 Paleolithicum (ca 300.000- 10.000 voor Chr.) Vondsten uit het midden van het Paleolithicum zijn in Noord-Brabant zeldzaam. Over de leefwijze van deze mensen in dit gebied is dan ook weinig bekend. Bij Nederwetten is in het verleden een in deze periode bewerkt stuk vuursteen gevonden. Het is een afslag van vuursteen, dat aan het oppervlak bedekt is met “windlak”, een vettige glans die is ontstaan onder invloed van chemische en mechanische processen in een koud milieu. De randen van de afslag zijn onregelmatig bewerkt, mogelijk veroorzaakt door gebruik. Dit tot nu toe oudste voorwerp uit de gemeente Nuenen is 6,1 cm lang, 5,2 cm breed en 1,3 cm dik. De meerderheid van de vondsten dateert echter uit het laat-Paleolithicum en toont aan dat het toenmalige toendralandschap in de omgeving van Nuenen werd bevolkt door samenlevingen van jagers en verzamelaars die het best herkenbaar zijn aan hun typische en veelsoortige vuursteengebruik. Omdat de ondergrond het gehele jaar door bevroren bleef, kon in het voorjaar de gesmolten sneeuw slecht in de grond zakken. Hierdoor had het oppervlak tijdens de zomer het karakter van een modderpoel. In warmere perioden was het land beter begaanbaar en groeiden hier de eerste bomen: de den en de berk. Er leefden verschillende groepen in Noordwest-Europa die leefden van de jacht op groot wild en het verzamelen van voedsel. Vooral rendieren waren gewild, maar ook ving men vis en verzamelde men eetbare wortels. Deze jagers leefden in tijdelijke kampen toegespitst op een rondtrekkende leefwijze. Met name tussen 10.000 en 8000 jaar v.Chr. was er in Noord-Brabant enige bewoning door jagers die plaatsen bewoonden langs de trekrouten van de rendieren. De kleine nederzettingen lagen meestal in de nabijheid van vennetjes of waterlopen. In Vessem en in Geldrop zijn resten van kampen gevonden. In Nederland en België worden vindplaatsen vooral toegeschreven aan de Federmessercultuur. Binnen de gemeente Nuenen zijn er tijdens een afgraving te Boord vuurstenen werktuigen uit deze en de hierna beschreven periode gevonden. 7.2.2 Mesolithicum (ca. 9000- 4000 voor Chr.) Omstreeks 8.000 jaar geleden verbeterde het klimaat geleidelijk, waardoor de schaars beboste toendra van het einde van de laatste ijstijd plaats maakte voor een steeds dichter begroeid boslandschap. Aanvankelijk maakten berken en dennen het merendeel van de boomvegetatie uit. Onder invloed van de klimaatswijziging veranderde ook de dierenwereld. De mens zag zich genoodzaakt deze nieuwe voedselbronnen aan te spreken, wilde hij overleven. Voortaan was hij aangewezen op dieren die verspreid of in groepjes het woudlandschap bevolkten. Naast deze jacht op klein wild en visvangst, leverde ook het inzamelen van wortels, wilde gewassen en vruchten een belangrijk aandeel in de voedselvoorziening. Dit had grote gevolgen voor het nederzettingspatroon van de mens, aangezien hij niet langer over grote afstanden hoefde rond te trekken om in zijn onderhoud te voorzien, want voedsel was alom aanwezig in een dergelijk landschap. Mensen uit deze perioden wonen in semi-permanente nederzettingen en kennen nog geen aardewerk. Werktuigen worden gemaakt van vuursteen, bot en plantaardige materialen (hout, riet etc.). De werktuigen van vuursteen waren kleiner dan voorheen. Deze kleine werktuigen (zgn. microlithen) waren kenmerkend voor de midden Steentijd. Belangrijke vondsten uit deze periode zijn gedaan bij St. Oedenrode en Nijnsel. Bij Nijnsel werden grondsporen van hutten uit deze periode gevonden. Rond het stroomgebied van de Dommel hebben op verschillende plaatsen mensen rondgezworven/gebivakkeerd, waarvan in Nuenen op drie locaties aanwijzingen zijn gevonden. Het gaat om het al eerder genoemde Boord, een plek op de Refelingse Heide en nabij Vaarle. De laatste twee vindplaatsen werden ontdekt bij de aanleg van de snelweg van Helmond naar Eindhoven. Bij Vaarle werden deze werktuigen gevonden in een oorspronkelijke bodemlaag (dus niet verstoord) bovenop een bodemlaag uit de Oude Steentijd, geheten Allerödlaag. Vindplaatsen uit de Oude- en Midden-Steentijd bestaan uit een strooiing van (vuur)stenen artefacten en afval, de doorsnede van zulke vindplaatsen is meestal minder dan 20 m. Feitelijk kan een stuk bewerkt vuursteen al als een site worden beschouwd. Mogelijke grondsporen zijn ondiep en door de ouderdom al grotendeels vervaagd. De interpretatie van de paleolithische en mesolithische vindplaatsen in Noord-Brabant is heel moeilijk omwille van de post-depositionele processen, zoals landbouwactiviteiten, bioturbatie en zandverstuivingen. Het merendeel van de vindplaatsen uit het Paleolithicum en Mesolithicum in het oosten van Noord-Brabant en Midden Limburg komt voor op ruggen en terrasranden met een goed draine­rende ondergrond van dekzanden in de nabijheid van een waterbron (ven, meer, rivier of afgesneden meander). In deze zogenaamde gradiëntzones, de overgangen tussen de hogere en drogere delen en de lagere en nattere delen, had de mens de verschillende natuurlijke bestaansbronnen op een zo kort mogelijke afstand binnen bereik. De iets hogere delen rondom beken, vennen en plassen waren daarom waarschijnlijk de landschappelijk meest gunstige bewoningsplaatsen. Bij de locatiekeuze nabij open water lijkt er een voorkeur te zijn geweest voor de (zuid)oostelijke flank van dekzandruggen in verband met de overheersende (noord)westelijke winden. Waarschijnlijk waren er ook in en nabij rivier- en beekdalen nederzettingen die later zijn geërodeerd of afgedekt met sedi­menten. Het betreft steeds uitsluitend tijdelijke kampementen die enkele dagen tot meerdere weken bewoond zullen zijn geweest. De opgraving te Milheeze-Stippelberg laat zien dat de vondstniveaus uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum verschillen. De materiële resten van de Federmesser-traditie worden aangetroffen onder, in en juist boven de Usselo-bodem, een vuilgrijze laag met kleine stukjes houtskool, die door de inwerking van planten ontstond gedurende een relatief warme periode (circa 9900-9100 voor Chr.) tijdens de laatste ijstijd. Zowel Ahrensburg- als de vroeg-mesolithische vondstniveaus bevinden zich in het dekzand (Jong Dekzand II) boven de Usselo-bodem. De afdekking van laatstgenoemde sites wijst er ook op dat nog gedurende het Praeboreaal dekzand is afgezet. Steentijdresten in het pleistocene gebied zijn het best bewaard geble­ven onder deze lokaal voorkomende deklagen, zoals onder stuifzanden maar ook onder esdekken. Evenals de esdekken hebben de stuifzandgronden de oorspronkelijke pleistocene onder­grond afgedekt waardoor mogelijk waardevolle steentijdsporen bewaard zijn gebleven. 7.2.3 Neolithicum (ca. 4000-2000 jaar voor Chr.) Een van de slechtst bekende perioden uit de voorgeschiedenis van de Noord-Brabantse zandgronden ligt tussen ongeveer 5300 en 2000 voor Chr. Lang is verondersteld dat ergens in het begin van deze periode de leefwijze van jagen en verzamelen (de Midden-Steentijd) plaats maakte voor die van een op landbouw en veeteelt gebaseerd bestaan (de nieuwe Steentijd ofwel het Neolithicum). Bij deze geleidelijke overgang was gedurende de eerste duizend jaar slechts sprake van wederzijdse contacten tussen de jagers en verzamelaars op de Brabantse zandgronden en de boeren op de Limburgse en Belgische lössgronden in het zuidoosten. Ergens tussen 4000 en 2000 voor Chr. veranderde de mens dus zijn manier van bestaan. Tijdens het begin van deze periode leefden deze boeren alleen nog op de vruchtbare lössgronden van Zuid-Limburg. Ergens na 3000 v.Chr. Koloniseerden ze ook de Noord-Brabantse zandgronden. Vanaf dat moment ging hij in steeds grotere mate voorzien in zijn voedselbehoefte door het houden van vee en het verbouwen van voedsel. De mensen bouwen voor het eerst duurzame houten huizen en gaan in de directe nabijheid wonen van hun vee, akkers en moestuin. Als gevolg van het toepassen van landbouw en veeteelt werd de mens gebonden aan een vaste plek in het landschap, in plaats van rond te trekken tussen tijdelijke kampementen. De eisen aan een permanente nederzettingslocatie waren tevens afwijkend dan in de periode daarvoor, aangezien er behoefte ontstond aan akkers en weidegronden. De neolithische vindplaatsen worden daarom vaak op of nabij de wat hogere gronden met meer vruchtbare bodems aangetroffen. Op weggekapte stukken in het bos werd graan geteeld en op de graslanden in de beekdalen hoedde men wat schapen en geiten. Als de akkertjes onvruchtbaar werden, richtte men een nieuwe akker in. Verder wordt aardewerk nu gebruikt voor een groot deel van het huishoudelijke vaatwerk en werden stoffen geweven met behulp van een weefgetouw. Aan het eind van het Neolithicum ontstaat ook een grafgebruik waarbij sommige personen onder een ronde aarden heuvel (grafheuvel) worden begraven. Vuursteen werd in deze periode vaak aangevoerd vanuit de Zuidlimburgse kalksteengebieden, waarin veel goede vuursteen voorkomt. Maar ook uit gebieden als Frankrijk en Oost-Duistland. Zowel de ruwe grondstof als gereed zijnde werktuigen, waaronder gepolijste bijlen werden verhandeld. Vaak zijn de stenen messen en bijlen ware kunstwerkjes. Vermoedt wordt dat sommige bijlen en messen niet eens zijn gebruikt, maar geofferd werden aan de (natuur)goden. Er worden in deze regio nogal eens prachtige ongebruikte bijlen ontdekt in een moerasgebied. In 1915 werd langs de Prinsche Weyer (Vaarle) een dergelijke bijl gevonden, samen met een vuurstenen mes. Ook in 1915 werd in het Broek een stenen bijl gevonden; en op de Heuvelakkers te Nederwetten is in het verleden ook een bijl gevonden. Resten van bewoning ontbreken tot op heden in Nuenen, maar zijn wel aangetroffen in bijvoorbeeld Nijnsel en Zandoerle. Daarnaast zijn nog een viertal locaties bekend waar werktuigen werden gevonden. 7.2.4 Bronstijd en IJzertijd (ca. 2000- 250 voor Chr.) In de Brons- en IJzertijd werd de sedentaire agrarische levenswijze voortgezet, waarbij veeteelt en landbouw een grote rol speelden. De kennis van metaalwinning en bewerking van brons en ijzer voor wapens, sieraden en werktuigen komt in zwang, maar veranderde de vraag naar vruchtbare akkergronden niet. Metalen voorwerpen, zoals bronzen bijlen en speerpunten waren kostbaar, omdat ze vanuit de Alpen en Engeland werden geïmporteerd. In Nuenen is in de 19e eeuw vermoedelijk een bronzen bijl gevonden bij de Kolse Hoeve, waar ook grafheuvels uit de Bronstijd zijn gevonden. Verder is er in het Noordbrabants Museum een bronzen bijl uit Nuenen aanwezig, waarvan echter niet bekend is waar deze precies in Nuenen is gevonden. In 1995 werd in de plantenkwekerij ‘de Walburg’ in de Boordse Velden een bronzen bijl gevonden. De vindplaats ligt in een relatief laaggelegen nat gebied met een lemige ondergrond. In 2003 werd op ongeveer 1500 meter ten zuidwesten van deze bijl nog een bronzen kokerbijl gevonden op de Paaihurken in Nuenen. De vindplaats ligt aan de rand van het dal van de Hooidonkse Beek, een zijriviertje van de Dommel. De bijl bevond zich ongeveer 25 cm onder maaiveld. De bijlen dateren waarschijnlijk uit de periode 1100-800 v. Chr en zullen hier terecht zijn gekomen tijdens een rituele handeling. Gedurende de Brons- en IJzertijd werden steeds meer bossen ontgonnen en werden akkertjes aangelegd. Na het verlaten van deze akkertjes gingen ze soms verstuiven. Ook het vee tastte het bos aan omdat ze de jonge aanplant kaal vraten. Hierdoor kreeg de heide kans zich te ontwikkelen, waardoor op den duur uitgestrekte heidevelden ontstonden, dezelfde die nog voorkwamen in het begin van de vorige eeuw. Ook zandverstuivingen traden toen op. Belangrijke vondsten uit de Bronstijd werden gedaan bij Nijnsel, waar nederzettingssporen werden aangetroffen, bestaande uit een woonstalboerderij met bijgebouwen en veel aardewerk. In Nuenen kennen we een vindplaats met wat aardewerkscherven van een noodopgraving bij de Kolse Hoeve. Vergeleken met de Bronstijd, komt er in de IJzertijd in Noord-Brabant veel menselijke bewoning voor. Ook de nederzettingen worden groter, soms ontstonden er kleine dorpjes. De Late Bronstijd tot Midden IJzertijd is een periode die zich kenmerkt door de zwervende erven rondom plaatsvaste grafvelden. Grote woonstalboerderijen verrijzen naast de akkers, met spiekers (kleine voorraadschuren) om granen en andere landbouwproducten in op te slaan. Deze erven beslaan een oppervlakte van circa 40x40 m. Vanwege de verspreiding van erven in het landschap betekent de vondst van een sporencluster dat er vermoedelijk meer erven liggen. Gelijktijdige bewoning lag gemiddeld 100 m uit elkaar en de buurtschappen hebben bestaan uit 4 tot 6 huishoudens. De bijbehorende akkers waren niet groot, en vermoedelijk gebruikte men in deze periode een primitieve ploeg, het zgn. eergetouw, om de bodem te bewerken. De menselijke invloed op de natuur werd steeds groter. Dennenbossen werden schaarser en heidevelden talrijker. Uit vondsten te Sint-Michielsgestel, Keldonk en Nijnsel kan afgeleid worden dat er ijzererts gewonnen werd in het dal van de Dommel en de Aa. Ten noorden van Nederwetten werd een grote nederzetting opgegraven op de Hooidonkse Akkers. Verder hebben grootschalige opgravingen in de regio vindplaatsen uit deze periode aangetoond in Mierlo-Hout, Someren, Geldrop en Brandevoort. Een complete nederzetting is in Nuenen echter nog niet opgegraven. Wel kennen we verschillende vindplaatsen die wijzen op dezelfde ontwikkeling en bewoningscontinuïteit als de resultaten van opgravingen in de Peel en Kempen. In 1974 werd bij nabij het gehucht Boord, tijdens de aanleg van de weg naar Eindhoven, een nederzetting uit de IJzertijd opgegraven. In 2000 werden bij de aanleg van een ruim 2 km lange pijpleiding voor waterafvoer ten oosten van de Dommel op 5 verschillende plekken nederzettingsterreinen aangesneden uit de vroege IJzertijd, de midden Steentijd, de midden of late IJzertijd, de volle Middeleeuwen (2x) en de Romeinse tijd (1ste eeuw na Chr). Ze geven nadere aanwijzingen over de aard en datering van de archeologische ondergrond onder de ten oosten gelegen esdekken op de hogere zandruggen. Van de meeste nederzettingsterreinen zijn vooral delen van de stortplaatsen van voornamelijk aardewerk van de op aanpalende, hoger gelegen gronden gelegen woonplaatsen gevonden. In een kuil uit de vroege IJzertijd werden echter meer dan 200 scherven aardewerk, fragmenten van zoutgootjes en een kruisvormig ijzeren voorwerp gevonden. Tijdens het eerste gedeelte van de Bronstijd werden mensen begraven in grafheuvels. Grafheuvels blijven in gebruik, hoewel vanaf de Midden-Bronstijd vaker meerdere personen in één grafheuvel worden begraven. Soms werd een crematie aan de rand van de grafheuvel ingegraven, soms werd de heuvel opgehoogd en werd de dode centraal in het opgehoogde heuvellichaam begraven. Grafheuvels zijn niet zichtbaar op akkergronden uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, maar vaak wel op de heidevelden. Grafheuvels uit de Midden-Bronstijd zijn in Nuenen gevonden nabij het Haneven en de Gulberg (met zgn. Drakensteinurnen), en bij het gehucht Rulle. Met de overgang van de Bronstijd naar de IJzertijd treden ook veranderingen op in het grafritueel. Vanaf de late Bronstijd (1050-800 v. Chr.) lijken meer en meer mensen begraven te worden in een ‘eigen’ (kleinere) grafheuvel, die in grotere groepen bijeen in het landschap liggen. De gecremeerde resten van een overledene worden in een pot van aardewerk geplaatst en midden onder de heuvel begraven. Soms is er een kringgreppel aanwezig om het heuveltje. Een dergelijk veld met grafheuvels wordt een urnenveld genoemd. Naast de Midden-Bronstijd heuvels werden in 1863 rond het Haneven ook een aantal urnen gevonden uit de Late Bronstijd. Zoals in Noord-Brabant herhaaldelijk voorkomt, is dus ook hier een urnenveld aangelegd rond enige oudere Bronstijd grafheuvels. De grafheuvels wijzen ongetwijfeld in op het bestaan van een nederzetting in de omgeving. Of deze gezocht moet worden in Nuenen, Mierlo of Geldrop is echter niet duidelijk. Een ander urnenveld lag ten oosten van het gehucht Rulle, noordelijk van het kerkdorp Gerwen, en onder het akkergebied rond de vroegere kerk van Nuenen, waar omstreeks 1940 enkele urnen zijn gevonden. 7.2.5 Late IJzertijd en Romeinse tijd (250 voor Chr. - 450 na Chr.) Rond 50 voor Christus viel ons gebied in handen van de Romeinen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen. Julius Caesar beschrijft de strijd die hij hier voert tegen de Eburonen, een opstandige stam uit deze contreien, die door de Romeinse troepen volledig in de pan worden gehakt. In Nederland begint de Romeinse tijd in 12 voor Chr., toen alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de eerste eeuw werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse rijk in West-Europa. Rond de jaartelling woonden hier verschillende groepen, die leefden in een redelijk georganiseerde maatschappij van lokale leiders en stammen. Deze groepen worden opgenomen in het Romeinse Rijk en integreren langzaam in de nieuwe Romeinse maatschappij. Langzaam komt het gebied onder het Romeinse bestuur tot grote bloei. De Texuandri, zoals de bewoners van de Zuid Nederlandse en Noord Belgische zandgronden vanaf de eerste eeuw heten, worden administratief ingedeeld bij de Civitas Tungrorum, met het Belgische Tongeren als hoofdstad. De Romeinse aanwezigheid heeft in het gebied ten zuiden van de Rijn ruim vier eeuwen geduurd en deze resulteerde in ingrijpende veranderingen voor de inheemse samenleving van onder andere de Brabantse zandgronden. De Romeinen introduceren hier een groot aantal technische innovaties waarbij gedacht kan worden aan gereedschappen, landbouwwerktuigen, dakpannen, waterleiding, glas, vloerverwarming, badhuizen en een uitgebreid wegennet. Voor het eerst werd met geld betaald in plaats via de traditionele ruilhandel. Een van de meest gebruikte goederen, namelijk het aardewerk, werd voortaan geïmporteerd vanuit pottenbakkerijen zoals in het Duitse Rijnland en uit het huidige Frankrijk. Een wezenlijk verschil met het inheemse aardewerk, waarvan de productie in de eerste eeuw zelfs geheel werd gestaakt, was dat het hardgebakken Romeinse aardewerk op de draaischijf was gemaakt, in tegenstelling tot het handgevormde zachtgebakken inheemse aardewerk. Ook is de invloed van de Romeinen op de inheemse agrarische economie zeer groot geweest. Er werden nieuwe gewassen ingevoerd, die sindsdien lokaal zijn verbouwd, waaronder appel, peer, perzik, selderij en walnoot. Ook in de veestapel veranderde veel, zoals onder andere de introductie van de kip. Aangenomen wordt dat de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd zonder ingrijpende gevolgen heeft plaatsgevonden. De komst van de Romeinen vanaf 52 v. Chr. zal voor de eertijdse bewoners van het grondgebied van de latere gemeente Nuenen nauwelijks directe ingrijpende gevolgen hebben gehad. De Romeinse militairen verbleven vooral langs de Rijn. Hoewel niet uitgesloten kan worden dat Romeinse (verkennings)troepen ooit ter plaatse zijn geweest, is het niet waarschijnlijk dat er van een directe Romeinse overheersing sprake was. Wel zal de lokale bevolking via de uitwisseling van verhalen en goederen kennis hebben gemaakt met de levenswijze en producten die via het Romeinse handelsnetwerk ons land werden binnengebracht. Deze zaken vielen zo in de smaak dat de bevolking sommige van de Romeinse ideeën ten aanzien van kleding, bouwwijze en voedselbereiding overnam. Vanaf de late IJzertijd en in de Romeinse tijd komt herbouw op hetzelfde erf voor, waardoor de sporenconcentraties zijn samengesteld uit grotere aantallen sporen. De grafvelden uit de Late IJzertijd zijn kleiner en meer verspreid in het landschap, vaak in de buurt van huizen. De grafvelden uit de Romeinse tijd zijn groter en lijken een meer centrale plaats in te nemen. Sporen uit de Romeinse tijd zijn in Nuenen op diverse plaatsen gevonden. Uit archeologisch onderzoek in Noord-Brabant weten we dat nederzettingen uit deze periode vooral gezocht moeten worden nabij rivieren. Langs de Dommel zijn op tal van plaatsen sporen teruggevonden. In Nuenen is op zeer veel Romeins aardewerk gevonden bij een zandafgraving van een hoge akker bij het Wettenseind, 500 m ten zuidoosten van de Opwettense watermolen. Ook bij het gehucht Boord en noordelijk van Opwetten werd Romeins aardewerk, maar ook bewoningssporen gevonden. Al deze vindplaatsen liggen aan of dicht bij de Kleine Dommel. In 1969 werd bij een noodonderzoek als gevolg van een zandafgraving bij de Kolse Hoeve, ten oosten van de Eeneindseweg, de weg die Geldrop met het gehucht Eeneind verbindt, wederom een groot aantal scherven van Romeins aardewerk gevonden, waaronder scherven van terra sigillata, dolia, wrijfschalen, kruiken en potten. Ook maal- en slijpstenen, dakpannen, hutteleem, een blauwglazen armband met opgelegde gele glasdraad werd gevonden en enkele scherven uit de Bronstijd. De bewoningssporen bestonden uit diverse afvalkuilen en een huisplattegrond, daterend uit de 2e-3e eeuw. Enige drinkwaterputten konden wegens de hoge grondwaterstand niet worden leeggehaald. Gezien de spreiding der vondsten is het mogelijk dat een deel van de vindplaats nog gespaard is gebleven onder de aangrenzende akkers. Bij de aanleg van de Europalaan in 1972 werden Romeinse dakpannen en aardewerk gevonden, waaronder terra sigilata, terra nigra, amforen en wrijfschalen. De talrijke vondsten wijzen op een inheems-Romeinse nederzetting in de 1ste en 2e eeuw na Chr. Tijdens woonuitbreiding van Nuenen werden ook op verschillende plaatsen Romeinse scherven gevonden, zoals bij de uitbreiding Langakker-Tomakker. Ook uit de regio zijn nederzettingen uit de Romeinse tijd bekend in Brandevoort, Someren, Lieshout en Mierlo-Hout. Tussen Eindhoven en Nederwetten zijn sinds 1939 enkele honderden muntvondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Deze komen hoofdzakelijk van drie plaatsen in het natte Dommeldal. De munten dateren vooral uit de tijd van keizer Nerva (96-98 n.Chr.) tot en met keizer Hadrianus (117-138 n.Chr.). Deze vindplaatsen wijzen op het bestaan van een cultusplaats in dit gebied gedurende het begin van onze jaartelling. Eén vindplaats ligt langs de oostelijke oever van de Dommel tegenover de talrijke Romeinse vindplaatsen onder Eindhoven in het gebied dat de naam “Tempel" draagt. Op deze oostelijke oever ligt een gedeeltelijk vergraven, natuurlijke zandopduiking in een moerassige omgeving, aan de rand van het rivierdal van de Dommel. Hier zouden in 1939 tweehonderd Romeinse munten zijn gevonden, samen met twee bronzen beeldjes en twee lanspunten. Van deze uitzonderlijke vondst is slechts een munt bewaard gebleven in het Noordbrabants Museum. In 1989 en 1990 werden nog eens 287 koperen munten uit de 1ste en 2e eeuw, enkele bronzen speerpunten en ca. 500 scherven gevonden. Ook werd op hetzelfde terrein ook nog een vermoedelijke Romeinse ijzeren bijl gevonden. In 1989 werd op een nabijgelegen zandpand een gem, een geslepen Romeinse (half)edelsteen, gevonden. In 2000 werden bij de aanleg van een paar diepe kuilen voor een rioolwateraansluiting, midden in het beekdal van de Dommel, vondsten gedaan van tientallen scherven IJzertijd en Romeins aardewerk, een bronzen haakje, maalsteenfragmenten en een tiental menselijke en dierlijke botten. Vermoedelijk dateren deze vondsten uit de 1ste eeuw na Chr. Enkele vuurstenen artefacten dateren echter uit de Midden Steentijd. Een aantal botten heeft snijsporen. Bijzonder zijn de vondsten van bewerkt verkoold hout, goed geconserveerde botanische resten en de vondst van een ivoren bijltje met houder, gemaakt van een hoektand van een wild zwijn. Mogelijk hebben deze vondsten ook te maken met de iets naar het zuiden gelegen vermoedelijke offerplaats. Nederzettingsvondsten uit de derde eeuw in Noord-Brabant zijn spaarzaam terwijl die uit de vierde eeuw zelfs vrijwel geheel ontbreken. Veel nederzettingen in deze streken worden in de loop van de derde eeuw opgegeven. Het ontbreken van bewoning kan in verband worden gebracht met het begin van de ineenstorting van het Romeinse gezag. Deze werd vooral veroorzaakt door de verzwakte verdediging van de Rijngrens en de daardoor toenemende plundertochten van Germaanse stammen die afkomstig waren van over de grens. In de winter van 406/407 werd de Rijngrens definitief doorbroken door de Germanen waarmee het definitieve einde kwam aan de Romeinse heerschappij in Nederland. 7.2.6 Vroege Middeleeuwen (450 - ca. 1000 na Chr.) Het lijkt er op dat het oosten van Noord-Brabant gedurende vrijwel de gehele vijfde en zesde eeuw geen bewoning heeft gehad. Slechts hier en daar zijn wat aanwijzingen voor bewoning gevonden die er op wijzen dat er gedurende het eerste kwart van de vijfde eeuw nog geïsoleerde groepjes mensen op de zandgronden woonden, maar uit de periode daarna ontbreken archeologische gegevens volledig. Na de tijd van de volksverhuizingen raakte het open heidelandschap in verval en werd vervangen door een vrij dicht bebost landschap. Pas aan het einde van de zesde eeuw worden de Brabantse zandgronden opnieuw gekoloniseerd door boerensamenlevingen die zich in het Maasdal en de Kempen vestigden. Daarmee was de Merovingische tijd begonnen (circa 575-725). De bewoning in deze periode bevindt zich op de hoge, vruchtbare delen van het landschap en bestaat uit kleine, verspreid in het landschap gelegen nederzettingen van een of twee boerderijen. De bosbodems op de hogere delen waren relatief droog en bevatten veel humus. Na kap of platbranden waren deze vruchtbare bodems geschikt voor primitieve landbouw. Doordat de grond relatief snel uitgeput raakte had deze vorm van landbouw een zeer tijdelijk karakter dat het primitieve braakstelsel genoemd werd, wat een tijdelijke verkaveling opleverde. Naast het weiden van varkens in bossen, akeren of eikelen genoemd, liet men ook vaak rundvee in de bossen grazen. Waarschijnlijk leidde gecombineerde boslandbouw en –veeteelt tot de geleidelijke verdwijning van het bos, zodat er in de volle Middeleeuwen nog nauwelijks iets van over was. Wat overbleef waren zwaar verarmde en uitgeloogde bodems die deels met heide begroeid raakten. Van nederzettingen uit de Merovingische tijd is in Zuidoost-Brabant nauwelijks iets bekend. Tot nu toe zijn boerderijen opgegraven in Geldrop en Someren. In Nuenen zijn op de akkers enkele scherven aardewerk gevonden nabij Boord en op de Heuvelakkers onder Nederwetten, maar ook nabij de kerk van Gerwen. Karolingisch aardewerk werd gevonden bij noodonderzoek bij de Europalaan. Na 650 worden deze streken opgenomen in het Frankische rijk. Uit de Karolingische tijd (circa 750-900) zijn in Noord-Brabant meer overblijfselen bekend. Aangenomen wordt dat in de nederzettingen sprake was van een zelfvoorzienende economie. De meeste van deze nederzettingen hebben eeuwenlang bestaan. De grootste waarneembare veranderingen bestaan slechts uit de vervanging van oude gebouwen door nieuwe, met als gevolg dat de archeologische ondergrond regelmatig bestaat uit een wirwar van elkaar overlappende plattegronden van allerlei houten gebouwen. De veestapel bestond uit runderen, varkens, schapen, geiten, kippen en tamme ganzen. Het vee werd naar de vochtige en grasrijke beekdalen gedreven. Schapen werden gehoed op de heide. De akkers lagen op de hogere gronden, waar rogge, gerst, haver en vlas werd verbouwd. Na enkele jaren graan verbouwd te hebben, kwam de akker een jaar braak te liggen. Het onkruid dat er groeide en de herfstbladeren zorgden voor enige bemesting, zodat de vruchtbaarheid van de akkers herstelde. Rond 700 na Chr. komt de zogenaamde domeinstructuur tot ontwikkeling. Kleine nederzettingen raken buiten gebruik en de bewoning concentreert zich in grotere nederzettingen. In deze periode worden ook de eerste kerken gesticht in de regio. Gedurende de Karolingische tijd, van circa 750 tot circa 900 na Chr., ontwikkelde dit nederzettingspatroon zich verder, waarbij verspreid in het landschap kleine, geïsoleerde ontginningsnederzettingen werden gesticht als satellieten van de centrale nederzettingen. De inrichting van de domeinen gaat gepaard met grootschalige ontginningen, waardoor het landschap een meer open karakter kreeg. Grondbezit betekent macht. Niet meer iedereen heeft dezelfde rechten op de bestaansbronnen. Er ontstaan allerlei afhankelijkheidsrelaties. De samenleving bestond naast de adel en de vrije boeren uit grote groepen horige boeren. Kenmerkend voor het middeleeuwse bestuur is het feodale leenstelsel. Dit betekende dat een groot deel van de landerijen van de heer in bruikleen werden gegeven aan zijn leenmannen. Deze horigen moesten daarvoor in de plaats het land bewerken en producten en diensten leveren aan de leenheer. Gedurende de Vroege Middeleeuwen werden gestorvenen begraven op het erf bij hun huis of in kleine grafvelden. Veel vroegmiddeleeuwse grafvelden in de Kempen zijn net buiten de oude akkergebieden aangetroffen, op relatief hooggelegen locaties (bijvoorbeeld Hoogeloon-Broekeneind, Bergeijk, Veldhoven-Oeienboschdijk). Ofschoon het hier om een gekerstende samenleving gaat gaf men de doden nog allerlei voorwerpen mee, zoals wapens, sieraden, aardewerk (gevuld met voedsel) en in sommige gevallen ook kostbaarheden zoals met zilver ingelegde ijzeren voorwerpen of een gouden munt. Dergelijke graven waren echter slechts voor een klein deel van de samenleving, vermoedelijk betrof dat alleen de elite. Vaak werden er op de domeinen kloosters of kerken gesticht door schenkingen van adellijke eigendommen. Later werden de doden begraven in gewijde grond in en rondom de parochiekerk van de domeincentra zonder noemenswaardige bijgiften. Sinds 1225 waren de rechten over de parochie Nuenen in handen van het kapittel van Kortessem in België. In de 14e eeuw bestond die parochie uit tenminste twee kerken, te weten die van Nuenen en die van Gerwen. De verdwenen kerk van Nuenen was de voorganger van het gebouw dat tot in de 19e eeuw eenzaam midden in het akkergebied “de Kerkakkers” stond, thans bekend als algemene begraafplaats in het bosje nabij de wijken Langakker en Tomakker. De 14e eeuwse kerk van Gerwen, die ook tot in de 19e eeuw eenzaam in de akkers stond, was de voorloper van het huidige middeleeuwse 15e eeuwse kerkgebouw. Aan de hand van een bescheiden opgraving in de kerk is bekend dat we te maken hebben met een 14e eeuws Romaans zaalkerkje met een versmald koor. Onder de funderingen van dit 14e eeuwse zaalkerkje en de huidige kerk werden grafkuilen gevonden, die erop wijzen dat de oudste kerk niet erg ver van de huidige locatie gezocht moet worden. In de directe omgeving zijn ook brokken oersteen en tufsteen gevonden, waarvan enkele brokken tufsteen later zijn verwerkt in het fundament voor het altaar in de huidige kerk. De tufsteen is oorspronkelijk mogelijk afkomstig van een Romeins bouwwerk uit de omgeving. Dit wordt versterkt door de vondst van een Romeinse dakpan, die ook hergebruikt werd als bouwmateriaal. Er werden verder ook paalgaten aangetroffen van een ouder bouwwerk, maar het aantal was te gering om daaruit conclusies te trekken. De gehuchten Boord en Opwetten hadden een eigen kapel, die stond aan de huidige Opwettenseweg. Deze kapel van Opwetten was gewijd aan Sint Antonius en dateert ergens uit het einde van de 15e eeuw. Van de kerk van de priorij van Hooidonk hebben we geen enkele afbeelding; dat geldt ook voor de kloostergebouwen. De kerk van de priorij ging in 1579 in vlammen op en werd niet meer herbouwd. Bij het klooster Soeterbeek werd eveneens omstreeks 1465 een kerk gebouwd. Het was een grote kapel in gotische stijl met in het midden een klein torentje voor de klok. De vrij kleine parochiekerk van Nederwetten is omstreeks 1250 gebouwd door de priorij van Hooidonk. In 1898 werd de kerk afgebroken op de klokkentoren na, die in het bezit van de gemeente was. De toren van de oude kerk van Nederwetten staat tegenwoordig eenzaam in de akker. Bij deze laatste is het gedeelte waarop de kerk heeft gestaan echter afgegraven. 7.2.7 Volle en late Middeleeuwen (ca. 1000- 1500 na Chr.) In de Volle Middeleeuwen werd het dekzandlandschap gekenmerkt door bewoning op de toppen van de dekzandruggen, met akkercomplexen rondom de nederzettingen en hooi- en weideland in de beekdalen. In de volle Middeleeuwen (1000-1250 na Chr.) zien we dat beheerders van de domeinen, veelal in handen van abdijen, goederen en rechten toe-eigenen. Deze heerlijke rechten (zoals rechtspraak, cijnsheffing, kerk- en molenrecht), vormen de basis voor de lokale machtsuitoefening. Het onderscheid tussen lijfeigenen, horigen en vrijen, vervaagt omdat ook de vrijen met eigen landerijen onderworpen zijn aan de heerlijke rechten en belastingen. Vrije goederen worden dan ook steeds vaker aan de lokale heer afgestaan, om deze in leen (cijnsgoed) terug te nemen. Kenmerkend voor deze periode zijn de nieuwe ontginningen van land op initiatief van de lokale heren. Zulke ontginningsboerderijen uit de Volle Middeleeuwen zijn onder meer tijdens de opgravingen in Helmond-Brandevoort aangetroffen. In de Late-Middeleeuwen veranderde het nederzettingspatroon van karakter, waarschijnlijk ten gevolge van drastische verschuivingen in de landbouweconomie. De talrijke, eeuwenoude kleinschalige gehuchten op de hogere dekzandruggen werden alle verlaten. Elders in het landschap, veelal aan de randen van beekdalen, werden in de loop van de 12e en 13e eeuw nieuwe, uiteindelijk veel grotere en thans nog vaak bestaande nederzettingen of gehuchten gesticht. De inrichting van het landschap en de wegen, zoals zichtbaar op historische kaarten, dateert grotendeels uit de tijd van de landbouwontginningen. Het gehele proces lijkt tegen het einde van de 13e eeuw wel te zijn voltooid. Door de geleidelijke toename van de bevolking werden in de loop van de middeleeuwen steeds grotere gebieden voor de landbouw ontgonnen, waarbij ook de verlaten woongronden voortaan werden gebruikt als akkerland. Ter verbetering van de van nature arme zandgronden werden de akkers bemest met een mengsel van mest en heide- en grasplaggen. Deze vorm van bemesting vangt vermoedelijk aan vanaf de 12e en 13e eeuw en vond met zekerheid plaats vanaf de 16e eeuw. Plaggenbemesting bleef gangbaar tot in de 20e eeuw en werd pas gestaakt met de komst van de kunstmest. Door de eeuwenlange plaggenbemesting is er op de oude akkercomplexen een dik humusdek ontstaan. Een andere opvallende verandering was de stichting van steden. De oudste hiervan was ’s-Hertogenbosch (gesticht in 1185 of 1195). Enkele decennia later werden meer steden gesticht zoals onder andere Eindhoven, Helmond en Sint-Oedenrode. De archeologische ondergrond van deze steden wijst op een betrekkelijk korte bouwtijd, namelijk in de jaren omstreeks 1200-1225. Die datering is gebaseerd op de ouderdom van het oudste aardewerk, de oudste muntvondsten en de dendrochronologie (het dateren van hout aan de hand van jaarringen). Over deze stadstichtingen zijn geen geschreven bronnen beschikbaar. Het is daardoor niet bekend welke politieke of economische motieven een rol voor de stichting hebben gespeeld. Ook weten we niet waarom die stichtingen juist plaats vonden op die specifieke plaatsen. Aantrekkelijk is de veronderstelling dat althans een gedeelte van de inwoners van de in de regio verlaten nederzettingen op de dekzandruggen de steden hebben gekoloniseerd. Omstreeks het jaar 1200 ontstond het hertogdom Brabant. Het grondgebied van Nuenen en Gerwen werd door hertog Jan II van Brabant in 1300 aan de inwoners in gebruik gegeven, waarmee feitelijk Nuenen ontstaat. Beide kerkdorpen zijn onafhankelijk van elkaar ontstaan in de vroege middeleeuwen uit kleine nederzettingen en ontginningen. De oudste schriftelijke gegevens over de gehuchten en boerderijen van Nuenen gaan terug tot het begin van de 14e eeuw, waarmee we hier vanuit de archeologische aansluiten op de historische bronnen. Tot de oudste gehuchten in Nuenen behoren Beekstraat, Berg, Heieind, Weverstraat, Vaarle en Refeling. In Gerwen gaat het onder meer om Rullen, Ter Heeze, het Alvershool, Broekeind, Ten Rode, Ter Waarde, het Laar, de Wijtmanshoeve, Nieuwendijk, Olen en Stad van Gerwen. Bijzonder is ook dat Gerwen in de 15e en begin van de 16e eeuw beschikte over een gasthuis(je), waar rondtrekkende perlgrims konden overnachten en verzorgd werden. Het dorp Nederwetten dankt zijn ontstaan aan het aldaar in 1146 gestichte klooster Hooidonk, dat zijn landerijen in erfcijns uitgaf aan particulieren, die daarop in de 12-13e eeuw hun boerderijen bouwden. We onderscheiden de hoeven Ter Venne, Ten Hout, Schoteldonk, Ter Straten en de Kerkhofse hoeve. Verderop naar Gerwen lagen nog de hoeven Swinkel en richting Soeterbeek de hoeve Roy. Tot de oudste gehuchten van Opwetten en Boord behoorden Soeterbeek, Boord, Wettenseind, Opwetten, Eeneind en Coll. Het klooster Soeterbeek bezat verder nog de hoeven Ter Dommelen, Vorswijk en Ter Laar. Tegen het einde van de Middeleeuwen en in de Nieuwe tijd is er weer sprake van een meer verspreide bewoning op het ‘platteland’. De bewoning hangt nauw samen met de wegen en met de aanwezigheid van essen. Opmerkelijk is dat sporen van behuizing uit de 13e eeuw en jonger door een verandering in bouwwijze archeologisch nauwelijks traceerbaar zijn, het zijn vooral sporen van de inrichting van het erf. Pas laat in de Nieuwe tijd, als de verstening van bebouwing ook op het platteland is doorgedrongen, zijn huizen weer archeologisch waarneembaar. Middeleeuwse archeologische vindplaatsen zijn er in Nuenen in overvloed. Deze vindplaatsen verschillen van losse vondsten op de akker tot fundamenten van kerken en kloosters. Sporen van nederzettingen ontbreken echter. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw is de voormalige kapel van het voormalige klooster van Hooidonk, die thans is gerestaureerd, opgegraven. Onder een der bijgebouwen van de huidige boerderij zijn nog oude keldergewelven zichtbaar. Mogelijk zitten nog meer funderingen van het vroegere klooster in de bodem. Nabij Opwetten, bij Boord en bij Wettenseind werd middeleeuws aardewerk, waaronder Pingsdorfaardewerk gevonden. Bij de bouw van de wijk Tomakkers werden een boomstamwaterput uit de periode 800-1250 gevonden met daarin een mogelijk houten schopje. Bij Boord, op de plek van de Hoolsche Velden, werden in 1989 sporen van bewoning uit de late middeleeuwen en waarschijnlijk nieuwe tijd aangetroffen, mogelijk behorend bij een omgrachte hoeve (moated site). Naast een gracht en een 14e eeuwse waterput werd er veel materiaal opgegraven, waaronder een complete baardmankruik, blauwgrijze steengoed kannen en grote aantallen roodbakkende aardewerkscherven uit de 16e-17/19e eeuw. Nuenen-Gerwen bestond als heerlijkheid reeds in de 14e eeuw toen zij door een familie “van Gerwen” is ingelost. In de eerste helft van de 16e eeuw moeten de heren van Deurne en Vlierden bezitters zijn geweest. In 1557 bouwden zij een slotje aan de Dommel te Opwetten. In 1659 komt de heerlijkheid in handen van de Staten Generaal. Nederwetten ontstond als heerlijkheid in 1557, toen de heren van Deurne en Vlierden Nuenen-Gerwen in bezit hadden. Nederwetten kreeg hierdoor een eigen schepencollege voor het bestuur en voor de rechtspraak. Voor die tijd was dat in handen van de priorij van Hooidonk.

Rechtspraak bij dit artikel