Naar hoofdinhoud

Artikel Provincie

Artikel Provincie

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

3.1 Provinciale taken en instrumenten In het oude bestel was de formele rol van de provincie met betrekking tot de archeologische zorg, vooral een toezichthoudende in het kader van de toetsing van nieuwe bestemmingsplannen en vrijstelling- en wijzigingsbesluiten in het kader van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening en het verlenen van de meeste ontgrondingenvergunningen. Met de invoering van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in 2008 is de rol van de provincie veranderd. Haar toetsende rol in de bestemmingsplanprocedures komt na invoering van deze wet te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de correcte uitvoering van bestemmingsplanprocedures is daarmee geheel bij de gemeenten komen liggen en sluit daarmee aan op de nieuwe archeologiewet. De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monument en (artikel 38a, lid 1 Wamz). Met de invoering van de nieuwe Wamz heeft de provincie de bevoegdheid gekregen om archeologische attentiegebieden aan te wijzen om daarmee een aanpassing van het gemeentelijk bestemmingsplan mogelijk te maken. Het eigen gebiedsgerichte cultuurhistorisch beleid, vastgelegd in het Streekplan en de daaraan gekoppelde provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt. Hiermee loopt de Wamz gelijk op met het instrument van de aanwijzing in het kader van de nieuwe Wro. Deze bevoegdheid is vooral bedoeld om in gevallen waarin in (vigerende) bestemmingsplannen archeologische waarden onvoldoende zijn beschermd, regulerend te kunnen optreden. De gemeente dienen de aangewezen terreinen verplicht in het bestemmingsplan op te nemen. Doel van de nieuwe Wro is om als provincie zoveel mogelijk vooraf, door bestuurlijk overleg of de inzet van bepaalde instrumenten, duidelijk te maken welk beleid (juridisch) doorwerkt naar de gemeente. Daartoe stelt de provincie één of meer structuurvisies op, waarin zij de hoofdpunten van haar ruimtelijk beleid vastlegt, en aangeeft hoe zij verwacht dat gemeenten het beleid zullen gaan uitvoeren. Met de nieuwe Wro krijgt de provincie drie instrumenten om het beleid juridisch door te laten werken richting gemeenten. Dit zijn: de aanwijzing; de algemene regels (provinciale verordening); en het inpassingsplan (met het projectbesluit). Daarnaast kan de provincie zienswijzen indienen of een aanwijzing geven tijdens de bestemmingsplanprocedure. De taken van de provincies in het nieuwe bestel kunnen als volgt worden samengevat: - Aanwijzen van attentiegebieden Omdat bij aanvaarding van de nieuwe Monumentenwet sprake zal zijn van een geleidelijke opname van archeologische waarden in bestemmingsplannen – de wettelijke eis tot opnemen van deze belangen geldt immers voor nieuwe plannen - kan in oude bestemmingsplannen de archeologie in het geding komen. Provincies krijgen de belangrijke bevoegdheid om daar in bijzondere gevallen archeologische attentiegebieden aan te wijzen, zodat via een op archeologische gronden noodzakelijke aanpassing van het vigerende bestemmingsplan ook daar bijzondere voorschriften en het veroorzakerprincipe van toepassing verklaard kunnen worden. De bestaande provinciale Archeologische Monumentenkaart (AMK) zal daarbij richtinggevend zijn. - Toezicht planprocedures Het Streekplan, dat vertaald is naar de huidige interim Structuurvisie, en de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), vormen het kader waartegen gemeentelijke bestemmingsplannen, bestemmingsplanwijzigingen en ruimtelijke inrichtingsplannen door de provincie worden getoetst. In 2009 zal het provinciale belang nader worden verwoord in de Provinciale Structuurvisie, waartoe ook de Cultuurhistorische Waardenkaart zal worden geactualiseerd. De laatste jaren wordt al in toenemende mate het aspect cultuurhistorie (waaronder archeologie) bij de provinciale toetsing betrokken. Naar verwachting zal hier de komende jaren nog meer sturing op worden gegeven. - Ontgrondingen en Milieueffectrapportages De provincie fungeert als bevoegd gezag als het gaat om het afgeven van ontgrondingenvergunningen en tevens bij veel Milieueffectrapportages (MER’s). In beide situaties kan de provincie aan initiatiefnemers eisen stellen, of voorschriften verbinden aan de te verlenen vergunning of het te nemen besluit. Dit kan bijvoorbeeld zijn het verplicht opnemen van een archeologische effectrapportage als onderdeel van de MER, of het voorschrijven van een archeologische begeleiding of het doen van archeologisch onderzoek op kosten van de aanvrager van de ontgrondingenvergunning. Hiervoor gelden in principe dezelfde wettelijke uitgangspunten als die gelden bij bestemmingsplanprocedures en de daaruit voortvloeiende voorschriften met betrekking tot aanleg-, bouw- en sloopvergunningen. - Depots en vondstmeldingen De provincie vervult een belangrijke rol bij het archiveren en bewaren van de meeste archeologische vondsten uit opgravingen in het provinciaal depot voor bodemvondsten. Behalve de taak om een provinciaal depot aan te wijzen en te onderhouden, hebben de provincies ook de bevoegdheid gemeentelijke depots aan te wijzen. Aan die aanwijzing worden voorwaarden gesteld op het gebied van toegankelijkheid, veiligheid en conservering. In Nederland geldt een wettelijke verplichting voor het aanmelden van zaken waarvan het vermoeden bestaat dat zij van oudheidkundige waarde zijn. Dit soort vondsten dient volgens de Wamz formeel aangemeld te worden bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (voorheen de burgemeester), maar in de praktijk zal de provincie een deel van de taak op het gebied van het registreren en natrekken van vondstmeldingen (blijven) uitvoeren. Dit is in de zogenaamde cultuurconvenanten voor de beleidsperiode 1999-2003 tussen Rijk en Provincies overeengekomen. 3.2 Aanvullende eisen provincie Noord-Brabant In reactie  op de invoering van de nieuwe Wro beraadt de provincie Noord-Brabant zich op de gegroeide AMZ-praktijk en op haar mogelijkheden om archeologie en cultuurhistorie te integreren in het ruimtelijke ordeningsbeleid van gemeenten. De provincie zal de komende jaren daarom werken aan het (her)formuleren van het zgn. provinciale belang op het gebied van de AMZ, via de inventarisatie van kennislacunes en het stellen van prioriteiten, alsmede het ontwerpen van instrumenten. Stimulering van kennis- en beleidsontwikkeling richting gemeenten zal daarbij op de agenda staan, bijvoorbeeld via inhoudelijke en/of financiële ondersteuning bij de ontwikkeling van gemeentelijk archeologiebeleid en archeologische waardenkaarten. Bij alle ingrepen waarbij een aanvraag tot ontgronding via de Ontgrondingenwet of MER-plicht aan de orde is en waar Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant goedkeuring aan moeten geven, geldt dat de provinciaal archeoloog een advies geeft aan de directie Ruimtelijke Ordening en Handhaving en/of Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Bij de aanvraag moet duidelijk zijn of er archeologische vindplaatsen in het projectgebied aanwezig zijn en op welke wijze de archeologische vindplaatsen gewaardeerd moeten worden, en moeten de resultaten van het archeologisch onderzoek in de belangen afweging zijn meegenomen (inpassing in situ of opgraving ex situ). Archeologisch vooronderzoek is altijd noodzakelijk als een projectgebied overlap heeft met gebieden die op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant een middelhoge of hoge archeologische verwachting hebben. Een archeologisch onderzoek is echter ook verplicht indien er concrete archeologische waarden (kerkterrein, kasteelterrein, Archis-melding, nabijheid van een archeologisch vindplaats etc.) aanwezig zijn in een projectgebied, dat gelegen is in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde of waarvan geen verwachtingswaarde bekend is. Het streekplanbeleid van de provincie geeft aan dat archeologische monumenten, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant, in beginsel ‘in situ’ moeten worden behouden. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier niet gewenst. Verder geeft het streekplan aan dat in gebieden met (middel)hoge indicatieve archeologische waarden, in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, archeologisch vooronderzoek moet plaatsvinden. Indien hierbij daadwerkelijke archeologische waarden worden aangetroffen moeten deze in beginsel ‘in situ’ worden behouden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel