De gedragingen bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB, artikel 20 IOAW of
artikel 20 IOAZ worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. Eerste categorie:
a.het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde
termijn nakomen van de medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17, lid 2
WWB, artikel 38, lid 2 Bbz of artikel 13, lid 2 IOAW of IOAZ, en indien
van toepassing mede als bedoeld in artikel 25 WI.
2. Tweede categorie:
uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het blijk geven
van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB,
voor zover het niet betreft het door eigen toedoen niet behouden
van algemeen geaccepteerde arbeid;
het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), als daardoor
de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling aantoonbaar wordt
belemmerd;
het onverantwoord interen van vermogen waardoor eerder een
beroep op bijstand wordt gedaan, doordat verwijtbaar niet of
niet meer over middelen wordt beschikt.
3. Derde categorie:
het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen, waaronder begrepen voor personen
jonger dan 27 jaar het niet nakomen van verplichting om werk te
zoeken tijdens de zoektijd als bedoeld in artikel 7 WWB;
het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik
maken van reïntegratievoor-zieningen, waaronder begrepen het
niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie,
of aan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, voor
zover dit niet heeft geleid tot het
geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het
reïntegratietraject;
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onderdeel b
respectievelijk artikel 37, lid 1, onderdeel e IOAW of IOAZ niet
te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
zoals bedoeld in artikel 9a, lid 1 WWB respectievelijk artikel
38, lid 1 IOAW of IOAZ;
het niet of in onvoldoende mate verrichten van door het college
opgedragen maatschappelijke nuttige activiteiten als
tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1,
onderdeel c WWB respectievelijk artikel 37, lid 1, onderdeel f
IOAW of IOAZ;
uitsluitende voor zover de WWB van toepassing is, het niet of
onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in
hoofdstuk 6, paragraaf 3 WWB.
4. Vierde categorie:
uitsluitend voor de toepassing van de WWB, het blijk geven van
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB,
voor zover het betreft het door eigen toedoen niet behouden van
algemeen geaccepteerde arbeid;
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en tevens
uitsluitend voor de toepassing van de IOAW of IOAZ, als het een
verwijtbare beëindiging van de dienstbetrekking als bedoeld in
artikel 20 IOAW of IOAZ betreft;
het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik
maken van reïntegratievoor-zieningen, waaronder begrepen het
niet of onvoldoende meewerken aan de mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling, scholing of participatie of aan een plan
van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, als dit heeft geleid
tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van
het reïntegratietraject;
het zich zeer ernstig misdragen tegen het college en de in haar
opdracht werkende ambtenaren en medewerkers onder omstandigheden
die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB,
Bbz, IOAW of IOAZ.