Naar hoofdinhoud

Artikel 7

– Gedragingen

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2014

De gedragingen bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB, artikel 20 IOAW of artikel 20 IOAZ worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. Eerste categorie: a.het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17, lid 2 WWB, artikel 38, lid 2 Bbz of artikel 13, lid 2 IOAW of IOAZ, en indien van toepassing mede als bedoeld in artikel 25 WI. 2. Tweede categorie: uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB, voor zover het niet betreft het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), als daardoor de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling aantoonbaar wordt belemmerd; het onverantwoord interen van vermogen waardoor eerder een beroep op bijstand wordt gedaan, doordat verwijtbaar niet of niet meer over middelen wordt beschikt. 3. Derde categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, waaronder begrepen voor personen jonger dan 27 jaar het niet nakomen van verplichting om werk te zoeken tijdens de zoektijd als bedoeld in artikel 7 WWB; het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van reïntegratievoor-zieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie, of aan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het reïntegratietraject; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onderdeel b respectievelijk artikel 37, lid 1, onderdeel e IOAW of IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a, lid 1 WWB respectievelijk artikel 38, lid 1 IOAW of IOAZ; het niet of in onvoldoende mate verrichten van door het college opgedragen maatschappelijke nuttige activiteiten als tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onderdeel c WWB respectievelijk artikel 37, lid 1, onderdeel f IOAW of IOAZ; uitsluitende voor zover de WWB van toepassing is, het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3 WWB. 4. Vierde categorie: uitsluitend voor de toepassing van de WWB, het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB, voor zover het betreft het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en tevens uitsluitend voor de toepassing van de IOAW of IOAZ, als het een verwijtbare beëindiging van de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 20 IOAW of IOAZ betreft; het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van reïntegratievoor-zieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie of aan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het reïntegratietraject; het zich zeer ernstig misdragen tegen het college en de in haar opdracht werkende ambtenaren en medewerkers onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, Bbz, IOAW of IOAZ.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel