Indien sprake is van een horecabedrijf van waaruit wordt gehandeld in (soft)drugs en de inrichting niet over een exploitatievergunning op grond van artikel 2.3.1.2. van de APV beschikt, kan bestuursrechtelijk en strafrechtelijk worden opgetreden:
Bestuursrechtelijk
Een horeca-inrichting kan op basis van de algemene bestuursdwangbevoegdheid worden gesloten als de inrichting niet over een exploitatievergunning beschikt.
Indien een verbodsbepaling uit een gemeentelijke verordening wordt overtreden, is de burgemeester bevoegd om ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet door toepassing van bestuursdwang naleving van het verbod af te dwingen. Bij de vestiging van een "illegale coffeeshop" zal de burgemeester van deze bevoegdheid gebruik maken en tot sluiting van de betreffende inrichting over gaan.
Naast artikel 125 van de Gemeentewet kan een inrichting ook tijdelijk worden gesloten op grond van artikel 2.3.1.5. van de APV. In dit artikel wordt aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend om in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid een horecabedrijf tijdelijk te sluiten. Gezien het "tijdelijke karakter" van deze sluitingsbevoegdheid op grond van de APV (aan deze tijdelijkheid moet invulling worden gegeven door de sluitingstermijn/sluitingsperiode te vermelden), prevaleert over het algemeen (tijdelijke) sluiting op grond van artikel 125 van de Gemeentewet.
Strafrechtelijk
Op basis van het nulbeleid acht het Openbaar Ministerie het "gedogen" op basis van de AHOJ-criteria niet van toepassing en zal op grond van de Opiumwet worden overgegaan tot vervolging van de strafbare feiten.
Tevens wordt strafrechtelijk opgetreden op grond van de APV vanwege het overtreden van de betreffende APV-bepaling.
Artikel 4.2.b
Exploitatie van een coffeeshop zonder exploitatievergunning
Onderdeel van Nuloptiebeleid t.a.v. coffeeshops